Alle soorten › Roofdieren › Marterachtigen › Wezel
Wezel | Mustela nivalis
Weasel | Comadreja
De wezel is volgens het Handbook of the Mammals of the World de kleinste soort binnen de roofdieren (Carnivora). Hij leeft in heel Europa behalve Ierland en IJsland, in Noord-Afrika en in grote delen van Azië en Noord-Amerika. Het voedsel bestaat grotendeels uit kleine knaagdieren, en de voortplanting volgt de muizenstand: in piekjaren worden twee of drie worpen per jaar grootgebracht.
Sporen
De prent is ovaal, 7 tot 13 mm breed, met vijf tenen en zichtbare nagels. De prenten liggen in groepjes van twee, drie of vier, met 15 tot 30 cm tussen de groepjes. De keutel is ongeveer 3 mm dik en 3 tot 4 cm lang, zwart tot grijs. Wezels gebruiken holen van hun prooien en steenhopen als rustplaats en leggen voedselvoorraden aan. In de winter kan de wezel onder de sneeuw blijven; sporen zijn dan alleen te zien waar hij boven komt.
In wintervacht

Herkenning
Een zeer kleine, slanke marterachtige met korte poten en een korte, bruine staart zonder zwarte punt, korter dan 35% van de romp. De bovenzijde is bruin, de onderzijde wit tot roomwit; de grens tussen beide is kronkelig en er staan vaak donkere vlekjes op keel en borst. De maten verschillen sterk per gebied: over het hele areaal meet de kop-romp 11,4 tot 26 cm en het gewicht 25 tot 250 g, en de grootste dieren komen uit Noord-Afrika en andere warme streken. Vrouwtjes zijn duidelijk kleiner dan mannetjes. In het noorden van het areaal wordt de vacht in de winter geheel wit, zonder zwarte staartpunt; in het zuiden blijft zij het hele jaar bruin.
Gelijkende soorten
De hermelijn is groter, heeft een langere staart met een zwarte punt en een rechte grens tussen rug en buik. Die zwarte punt blijft ook in de witte wintervacht zichtbaar; een witte wezel heeft hem niet. Een grote wezel uit Zuid-Europa en een klein hermelijnvrouwtje liggen in formaat dicht bij elkaar; dan beslissen staartlengte en staartpunt.
Leefgebied
Veel verschillende leefgebieden, in agrarisch en in natuurlijk landschap: graslanden, bossen, toendra, struweel en akkerland. De soort geeft de voorkeur aan open agrarisch terrein. Rustplaatsen zijn holen van prooidieren, steenhopen en andere goed verborgen plekken; eigen holen worden zelden gegraven.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Europa behalve Ierland en IJsland, Noord-Afrika, een groot deel van Azië en Noord-Amerika. In Zuid-Europa (Iberisch Schiereiland, Italië, Corsica, Sardinië, Sicilië) leeft de grotere ondersoort boccamela, in Noord-Afrika numidica. De wezel is door de mens ingevoerd op Malta, Kreta en de Azoren, en in Nieuw-Zeeland. In Nederland komt hij op het hele vasteland voor maar ontbreekt hij op de Waddeneilanden.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Vooral overdag actief, maar ook 's nachts, met korte perioden van activiteit en rust die elkaar snel afwisselen; het ritme volgt dat van de prooi. Door de hoge energiebehoefte moet een wezel regelmatig eten, meer dan de helft van zijn lichaamsgewicht per dag. Het voedsel bestaat bij veel knaagdieren bijna geheel uit woelmuizen en muizen; daarnaast vogeleieren, hagedissen, amfibieën, kleine vis, ongewervelden en aas. In gevangenschap zijn vijf verschillende geluiden vastgesteld. De voortplanting kan het hele jaar doorgaan, ook in de winter, maar valt vooral in het voorjaar en de nazomer. Er is geen verlengde draagtijd: na 34 tot 37 dagen worden meestal 4 of 5, soms tot 10 jongen geboren, van 1 tot 2 g. De ogen gaan open na 26 tot 30 dagen, de jongen zijn na 9 tot 12 weken zelfstandig en vrouwtjes kunnen op drie maanden al zelf jongen krijgen.
Waar en wanneer kijken
Wezels zijn het best te zien waar muizen talrijk zijn: langs slootkanten, ruige randen van akkers, houtwallen en stenen muren. Een wezel komt zelden lang in beeld; hij richt zich vaak even op de achterpoten op om rond te kijken. In jaren met veel woelmuizen is de kans op een waarneming het grootst.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2019). De soort wordt in Eurazië als vrij algemeen beschouwd, maar lijkt in Noord-Amerika zeldzaam. Bedreigingen zijn doorvergiftiging met rattengif, vervolging, verkeer en de achteruitgang van open agrarisch landschap, in delen van Europa door het opgeven van landbouwgrond en elders door intensivering. In Nieuw-Zeeland, waar de soort is ingevoerd, heeft zij zware gevolgen gehad voor de inheemse fauna.
Wetenschappelijke naam
Mustela nivalis | Linnaeus, 1766
Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Mustela is het Latijnse woord voor 'wezel'. De verdere herkomst is onzeker: meestal wordt het gelezen als een verkleinvorm bij mus 'muis', naar het formaat van het dier of naar zijn jacht op muizen. nivalis is Latijn voor 'van de sneeuw, sneeuwwit', bij nix, genitief nivis, 'sneeuw', naar de witte wintervacht van de noordelijke dieren. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.






