Alle soorten › Evenhoevigen
Evenhoevigen | Artiodactyla
Even-toed ungulates | Artiodáctilos
Hoefdieren waarbij het gewicht gelijk over de derde en de vierde teen wordt verdeeld, zodat de voet in twee even grote hoeven eindigt; de tweede en de vijfde teen zijn tot bijhoeven teruggebracht die alleen op weke bodem meedragen. Op de varkens na herkauwen alle Europese soorten: het voer wordt haastig afgeschoren en ingeslikt, in de eerste van vier maagafdelingen door bacteriën aangetast, in rust in kleine porties teruggegeven en opnieuw gekauwd, waarna cellulose bruikbaar wordt. In de bovenkaak ontbreken de snijtanden; ertegenover ligt een harde hoornplaat waar de ondersnijtanden en de tot snijtand gevormde onderhoektand het gras tegen afsnijden. De kiezen dragen sikkelvormige glazuurlijsten. De poten zijn lang en de jongen komen ver ontwikkeld ter wereld. Hoorns of geweien komen bij de meeste families voor en zijn bijna altijd zwaarder bij het mannetje.
Families in deze orde
- Walvisachtigen | CetaceaZeezoogdieren die zich zo'n vijftig miljoen jaar geleden van het land losmaakten en volledig aan het water aanpasten. Genetisch de diepst genestelde tak binnen de evenhoevigen: hun naaste nog levende verwant is niet een andere walvis, maar het nijlpaard. Lang als een eigen orde (Cetacea) beschouwd; deze gids volgt de indeling van de Mammal Diversity Database, die ze onder de evenhoevigen plaatst.
- Vinvissen | Balaenopteridae3 soortenBaleinwalvissen met een lang, gestroomlijnd lichaam, een kleine rugvin ver naar achteren op de rug en keelgroeven: plooien in de huid van keel en borst waardoor de mondholte bij het eten sterk kan uitzetten. In plaats van tanden hangen er baleinen aan de bovenkaak, platen van hoornachtig materiaal waarmee het dier krill en kleine scholenvis uit het opgeslokte water zeeft. Ze hebben twee blaasgaten. Net als alle walvissen behoren ze tot de evenhoevigen; het nijlpaard is hun naaste levende verwant op het land.
- Dolfijnen | Delphinidae7 soortenDe soortenrijkste familie van de tandwalvissen, met de dolfijnen, de grienden en de orka. De meeste soorten hebben een snavel, kegelvormige tanden en een sikkelvormige rugvin midden op de rug; in het voorhoofd ligt de meloen, een met vet gevuld orgaan dat de klikgeluiden bundelt waarmee ze zich oriënteren en prooien opsporen. Ze hebben één blaasgat. Het zijn sociale dieren die in groepen leven, van enkele tot duizenden dieren. Net als alle walvissen behoren ze tot de evenhoevigen; het nijlpaard is hun naaste levende verwant op het land.
- Bruinvissen | Phocoenidae1 soortKleine tandwalvissen zonder snavel, met spatelvormige tanden in plaats van de kegeltanden van de dolfijnen en meestal een lage, driehoekige rugvin. Ze leven alleen of in kleine groepen en zijn aan het oppervlak onopvallend. In Europa leeft één soort, de bruinvis.
- Potvissen | Physeteridae1 soortEén levende soort, de potvis: de grootste tandwalvis, met een blokvormige kop die ongeveer een derde van de lichaamslengte beslaat en een orgaan met wasachtige olie bevat, het spermaceti-orgaan. Tanden staan alleen in de smalle onderkaak. Het ene blaasgat ligt links vooraan op de kop, zodat de adem schuin naar voren wordt uitgeblazen.
- Holhoornigen | Bovidae19 soortenDe hoorns zijn blijvend: een benige pen die uit het voorhoofdsbeen groeit en levenslang door een schede van hoorn wordt bedekt, die vanaf de voet aangroeit en nooit wordt afgeworpen. Ze worden dus met het jaar langer en dragen bij veel soorten ringen die de opeenvolgende seizoenen laten zien; bij een deel van de familie dragen ook de vrouwtjes ze. Alle soorten herkauwen, en in de bovenkaak ontbreken de snijtanden: gras wordt tussen de ondersnijtanden en een harde hoornplaat afgesneden en later met sikkelvormige kiezen fijngemalen. De hoef bestaat uit een harde buitenrand rond een zachtere, veerkrachtige zool — de klim-uitrusting van de Europese vertegenwoordigers, die vrijwel allemaal berg- en rotsdieren zijn: steenbokken, gemzen en wilde schapen op steile hellingen, en aan de zuidrand de gazellen en oryxen van steppe en woestijn. De wisent is het enige wilde rund van het werelddeel, uit gevangen dieren teruggebracht. Er wordt één ver ontwikkeld jong geboren.
- Hertachtigen | Cervidae11 soortenHet gewei is geen hoorn maar bot, en het wordt elk jaar opnieuw gemaakt. Het groeit uit een blijvende stomp op het voorhoofd, onder een huid van fijn behaard bast die het van bloed voorziet; wanneer de groei klaar is wordt de bloedtoevoer afgeknepen, sterft het bast af en wordt het tegen struiken afgeveegd, waarna het dode bot de bronst door wordt gedragen en daarna afvalt. De groei kost veel kalk en volgt de daglengte. Alleen de mannetjes dragen het, met het rendier als uitzondering; bij één in Europa ingeburgerde soort ontbreekt het gewei geheel en dragen de mannetjes in plaats daarvan lange, uitstekende hoektanden. Verder zijn het herkauwers zonder bovensnijtanden, met lange poten en een verende, springende gang, en met geurklieren voor de ogen, aan de poten en tussen de hoeven. De bronst gaat bij de meeste soorten met roepen, slaan en vechten gepaard. Het kalf is gevlekt en blijft in de eerste weken roerloos in dekking liggen.
- Varkens | Suidae1 soortHet enige evenhoevige van Europa dat niet herkauwt: de maag heeft één afdeling en het menu is dat van een alleseter — wortels, knollen, paddenstoelen, eikels en beukennoten, regenwormen, jonge dieren en aas. Dat voedsel wordt op de reuk gevonden en met de snuit uitgegraven; die snuit eindigt in een ronde, kraakbenige schijf die door een eigen botje wordt gesteund en door zware nekspieren als een ploeg door de grond wordt geduwd. De hoektanden groeien het hele leven door en krommen zich als slagtanden naar buiten, waarbij de onderste tegen de bovenste voortdurend wordt gewet en scherp blijft. Elke voet draagt vier tenen, waarvan de twee buitenste op weke bodem meedragen. De vacht bestaat uit stugge borstels met een manen over de nek. De biggen zijn in de lengte gestreept en worden in een nest van gesleept plantaardig materiaal geboren; de worp is groot — voor een hoefdier uitzonderlijk.