Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Amerikaanse rode eekhoorn
Amerikaanse rode eekhoorn | Tamiasciurus hudsonicus
American red squirrel | Tamiasciurus hudsonicus
De Amerikaanse rode eekhoorn is een Noord-Amerikaanse boomeekhoorn die in Europa nergens gevestigd is. Losgelaten of ontsnapte dieren uit de handel in kooidieren worden sinds 2011 in Nederland en België geregeld waargenomen, sinds 2011 enkele honderden keren. De soort lijkt op de gewone eekhoorn: ze is rood, heeft in de winter oorpluimen en wordt vooral in stadsparken aangetroffen.
Sporen
In Noord-Amerika is het bekendste teken van deze soort de vraathoop (midden); in Europa worden zulke hopen niet gevonden, omdat er geen gevestigde populatie is. Anders dan de gewone eekhoorn, die zijn voedsel verspreid over een groot gebied begraaft, legt deze soort één centrale voorraad aan en eet hij jaar na jaar op dezelfde plek. Onder een vaste zittak ontstaat zo een hoop afgeknaagde kegelschubben en spillen die tot twaalf meter breed en tientallen centimeters dik kan worden: een vochtig, koel depot dat jarenlang wordt gebruikt en waarin de kegels van de nieuwe oogst worden begraven. Een dergelijke hoop in een Europees naaldbos zou op deze soort wijzen en niet op de gewone eekhoorn. Daarnaast zijn er aangevreten kegels, van de voet af tot op de spil afgeknaagd met een kuifje onaangeroerde schubben aan de top, gelijk aan die van de gewone eekhoorn en daarvan niet te onderscheiden, en het sprongspoor van vier prenten in een groepje, dat bij alle boomeekhoorns gelijk is en bij deze soort kleiner. Het duidelijkste kenmerk is de stem: een hard, ratelend alarmgeluid dat minutenlang aanhoudt zodra iemand onder de boom staat, scherper en aanhoudender dan het korte gekras van de gewone eekhoorn.
In zijn leefgebied

Herkenning
Een kleine boomeekhoorn, een van de kleinste van Noord-Amerika, en duidelijk kleiner dan de gewone eekhoorn: kop-romp ongeveer 19 cm, staart ongeveer 12 cm (nauwelijks twee derde van de romp) en 200 gram of iets meer, tegen 250 tot 340 gram bij de gewone eekhoorn. Bovenzijde roodbruin tot olijfgrijs met een roestrode rugband, onderzijde wit tot vuilwit. In het zomerkleed loopt tussen de rode flank en de witte buik een zwarte lengtestreep, die de gewone eekhoorn niet heeft; in het winterkleed vervaagt die streep en groeien er oorpluimen, zodat de gelijkenis met de gewone eekhoorn dan het grootst is. Rond het oog staat een duidelijke witte ring. De staart is kort, plat en minder vol dan bij de gewone eekhoorn, roodbruin met een donkere band en een lichte zoom. De soort maakt veel geluid en beweegt bij het alarmeren de staart met schokken.
Gelijkende soorten
De gewone eekhoorn is de soort waarmee verwarring het meest voorkomt: beide zijn rood, beide klimmen, en beide dragen in de winter oorpluimen. Vier kenmerken zijn bruikbaar. Ten eerste het formaat: de Amerikaanse rode eekhoorn is duidelijk kleiner en compacter, met ongeveer twee derde van het gewicht. Ten tweede de witte oogring, die bij de gewone eekhoorn ontbreekt. Ten derde de staart: korter, platter en minder pluimig, met een donkere band en een lichte zoom, terwijl die van de gewone eekhoorn lang en vol is en eenkleurig, van roodbruin tot roomwit. Ten vierde, in de zomer, de zwarte flankstreep tussen rug en buik. De grijze eekhoorn is veel groter en grijs, met een witte, wollige staartzoom. Een rode eekhoorn in een Europees bos is vrijwel altijd de gewone eekhoorn; voor een waarneming van de Amerikaanse rode eekhoorn is een foto nodig.
Leefgebied
In Noord-Amerika naaldbos en gemengd bos met een gesloten kroon en een goede kegeloogst (spar, den, hemlockspar en zilverspar), waar een centrale voorraad kan worden aangelegd; daarnaast loofbos met esdoorn, beuk en eik, en ook tuinen, parken en buitenwijken. In Europa heeft de soort geen eigen leefgebied: de waargenomen dieren verbleven in stadsparken, villatuinen, lanen en kleine bosjes rond de plaats waar ze ontsnapt of losgelaten waren. De twee plaatsen waar meer dan één dier aanwezig was, een bosgebied in Gaasterland (Friesland) en een stadspark in Rotterdam, zijn van dat type.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Oorspronkelijk Noord-Amerika: van Alaska en heel Canada door de Rocky Mountains tot in New Mexico en langs de Appalachen tot in het zuiden van de Verenigde Staten. In Europa is de soort nergens gevestigd; waarnemingen komen vrijwel alleen uit Nederland en België. In Nederland zijn er sinds ongeveer 2011 enkele honderden meldingen, verspreid over het hele land met een concentratie in de Randstad. Bijna altijd gaat het om één dier dat enige tijd in een park of wijk verblijft en daarna niet meer wordt gezien; het hoge aantal meldingen in 2020 is grotendeels afkomstig van één dier in Almere. Op twee plaatsen was er meer: in Gaasterland (Friesland) werd in 2012 een nest met jongen gevonden, en volgens bewoners had er eerder al voortplanting plaatsgevonden; in het Kralingse Bos bij Rotterdam werd in 2019 een zogend vrouwtje vastgesteld. In België gaat het om enkele tientallen meldingen in Vlaanderen en Wallonië, alle opgenomen in de bestanden van uitheemse soorten. Elders in Europa, ook in Spanje, is de soort vrijwel niet waargenomen. De herkomst is in alle gevallen de handel in kooidieren.
- Ingeburgerd
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Dagactief en het hele jaar actief, zonder winterslaap of winterrust; alleen bij zware storm of vorst blijft het dier enkele dagen in het nest. Het voedsel bestaat vooral uit naaldboomzaad, aangevuld met paddenstoelen (die in een boomvork worden gedroogd), knoppen, bast, boomsap dat wordt afgetapt door de bast in te snijden, bessen, noten, insecten, eieren en jonge vogels. Anders dan de andere eekhoorns in Europa houdt deze soort een territorium dat jaarrond wordt verdedigd: minder dan een hectare per dier, met de centrale voorraad in het midden, en met aanhoudende alarmroepen tegen elke indringer. Een vrouwtje is per bronstperiode maar één dag vruchtbaar en krijgt één, soms twee worpen per jaar; na een draagtijd van 31 tot 35 dagen worden drie tot vijf jongen geboren in een boomholte of een kobel, die na zeven weken het nest verlaten en rond veertien weken worden gespeend. In het wild worden weinig dieren ouder dan vijf jaar.
Waar en wanneer kijken
In Europa is dit geen soort om gericht naar te zoeken, maar wel een soort om op te letten. Zie je in een park of tuin een kleine, compacte rode eekhoorn met een duidelijke witte oogring en een korte staart, kijk dan of er in de zomer een zwarte streep tussen rug en buik loopt, maak een foto en meld de waarneming. Bij deze soort is elke melding van belang, omdat een dier dat wordt weggevangen voordat een tweede dier aanwezig is, geen populatie kan vormen. Let ook op het geluid: het lange, harde ratelen past bij geen enkele inheemse eekhoorn. In het natuurlijke verspreidingsgebied is de soort in vrijwel elk Canadees of Amerikaans naaldbos snel te vinden aan de alarmroep.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016), met een groot areaal in Canada en de Verenigde Staten, waar de soort algemeen is. Deze beoordeling betreft Noord-Amerika en zegt niets over Europa, waar geen populatie bestaat. De soort staat niet op de Unielijst van invasieve uitheemse soorten die zorgwekkend zijn voor de Unie (Verordening 1143/2014), anders dan de grijze eekhoorn, de Amerikaanse voseekhoorn, de roodbuikeekhoorn en de Siberische grondeekhoorn. Daarmee is zij de enige Noord-Amerikaanse boomeekhoorn die in Europa nog vrij verhandeld en gehouden mag worden. De Nederlandse waarnemingen zijn afkomstig van gehouden dieren, en zolang de handel doorgaat, blijft de kans bestaan dat twee dieren op hetzelfde moment op dezelfde plaats vrijkomen. De twee gevallen van voortplanting (een nest met jongen in Gaasterland in 2012, een zogend vrouwtje in het Kralingse Bos in 2019) tonen dat de soort zich in Nederlands bos kan voortplanten. De risico's betreffen voedselconcurrentie met de gewone eekhoorn en de mogelijkheid dat de soort, zoals de grijze eekhoorn, ziekten overbrengt waartegen de inheemse eekhoorn niet bestand is. Beheer vindt per geval plaats op basis van meldingen: het advies is telkens een aanwezig dier weg te vangen voordat er een tweede bij komt. Die aanpak is effectief zolang zij vroeg wordt toegepast.
Wetenschappelijke naam
Tamiasciurus hudsonicus | (Erxleben, 1777)
Erxleben beschreef de soort in 1777 als Sciurus hudsonicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Tamiasciurus verbindt Tamias, de wangzakeekhoorns, met Sciurus, de echte eekhoorns. hudsonicus betekent 'van de Hudsonbaai', het gebied in Canada waaruit de eerste dieren naar Europa kwamen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Canada, Ontario.





