Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Barbarijse grondeekhoorn
Barbarijse grondeekhoorn | Atlantoxerus getulus
Barbary Ground Squirrel | Atlantoxerus getulus
De Barbarijse grondeekhoorn is de enige grondeekhoorn van Noord-Afrika en de enige soort van zijn geslacht. Hij behoort tot de Afrikaanse grondeekhoorns en niet tot de Europese soesliks. Het is een dagactieve soort van kale rotshellingen in de Atlas, die vaak rechtop op een steen zit en door de gestreepte rug tegen het gesteente moeilijk te zien is. Sinds 1965 komt hij ook voor op Fuerteventura, waar één losgelaten paar is uitgegroeid tot bijna een miljoen dieren.
Sporen
Het meest bruikbare teken is de holplaats. Holingangen zijn ronde gaten, ruim genoeg voor een dier van een kwart kilo, altijd onder of tussen steen: in een puinhelling, onder een rotsblok, in de holten van een droge stenen terrasmuur of in een duiker onder de weg. Er ligt geen aardwaaier voor, zoals bij de steppesoeslik, omdat de soort in gruis graaft en niet in grond. Rond de ingang liggen vraatresten: opengeknaagde amandeldoppen, argannoten waarvan de harde pit met een ruwe rand is opengebroken, vijgenschillen en zaadhulzen. De keutels zijn klein, donker en langwerpig en liggen verspreid op de uitkijkstenen, niet in een aparte latrine. De prenten zijn gewone eekhoornprenten en zijn alleen in stof of fijn zand te zien: vier tenen aan de voorvoet, vijf aan de achtervoet; bij het springen komen de achtervoeten vóór de voorvoeten neer, in groepjes van vier met een sprong ertussen. Daarnaast is het geluid bruikbaar: in de paartijd laten de mannetjes een snelle, hoge, staccato klikroep horen die minutenlang kan aanhouden en langs een rotshelling ver te horen is. Op Fuerteventura zijn bovendien gladgesleten muurkoppen en bermranden bij parkeerplaatsen te vinden, waar de dieren op mensen afkomen.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een gedrongen, op de grond levende eekhoorn met een grote kop in verhouding tot het lichaam, zeer kleine ronde oren zonder pluim, en korte poten. De vacht is grijsbruin tot roodbruin en draagt in de lengte vier zwarte en twee witte banden die over rug en staart doorlopen; in het veld valt vooral de witte flankstreep op, een scherpe lijn tussen de donkere rug en de vuilwitte buik. De staart is ongeveer twee derde van de kop-romplengte, ruig en grijs gebandeerd, en wordt bij het rennen laag en recht naar achteren gedragen, niet omhoog gekruld. Mannetjes zijn zwaarder dan vrouwtjes (232–280 tegen 209–250 gram). Het dier zit vaak volledig rechtop met de voorpoten tegen de borst, en drukt zich bij gevaar plat tegen de steen in plaats van weg te rennen.
Gelijkende soorten
Op Fuerteventura is verwarring niet waarschijnlijk: hij is daar het enige gestreepte zoogdier en na het konijn het talrijkste. In Marokko en Algerije evenmin, omdat er in de Maghreb geen tweede grondeekhoorn voorkomt. Houd bij determinatie van een foto rekening met de Barbarijse grasmuis, die eveneens gestreept is maar veel kleiner, met een dunne, kale staart en acht tot twaalf smalle strepen in plaats van vier brede banden. De Siberische grondeekhoorn, in Europa uitgezet, heeft vijf donkere strepen over een lichte rug, is slanker, heeft grotere oren en leeft in bos, niet op rotsen. De eekhoorn is twee keer zo zwaar, ongestreept en klimt in bomen. Een op de grond levende eekhoorn die rechtop zit, met een grote kop en zeer kleine oren, is deze soort.
Leefgebied
Droog, stenig, open terrein met veel schuilmogelijkheden tussen de rotsen. In Marokko de rotsige hellingen en ravijnen van de Anti-Atlas, de Hoge en de Midden-Atlas, van de kust tot ruim boven tweeduizend meter, met een voorkeur voor arganbos, jeneverbesstruweel en doornige berghellingen; ook in oude terrasmuren langs akkers en in verlaten gebouwen. Op Fuerteventura bezet hij alle leefgebieden van het eiland, van zeeniveau tot de hoogste toppen rond achthonderd meter, en is hij het talrijkst waar rotsschuilplaatsen dicht bij akkers en barranco's liggen. Bos is geen vereiste; de soort is afhankelijk van rotsspleten als schuilplaats.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van nature Marokko en het uiterste noordwesten van Algerije, in de Atlasgebergten en de Anti-Atlas; het hele natuurlijke areaal ligt in dit gebied. In 1965 werd op Fuerteventura bij Gran Tarajal één paar losgelaten, afkomstig uit de toenmalige Spaanse Sahara; binnen drie jaar was de soort gevestigd, en de huidige schatting is 900.000 tot een miljoen dieren, met dichtheden van twee tot 296 dieren per hectare. Fuerteventura is daarmee het enige Europese grondgebied waar de soort voorkomt. Elders op de Canarische Eilanden is zij niet gevestigd, maar er worden geregeld dieren onderschept die als verstekeling in een auto of als huisdier zijn meegereisd; op Lanzarote is vestiging daardoor tot nu toe voorkomen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Uitsluitend dagactief, met twee pieken: vroeg in de ochtend en in de late namiddag. Midden op de dag rust hij in het hol of plat in de schaduw van een steen. Er is geen winterslaap of winterrust; de soort is het hele jaar bovengronds, maar in de koudste en natste weken minder zichtbaar. Alleseter met een sterke voorkeur voor plantaardig voedsel: ruim driekwart van het voedsel is plantaardig, namelijk zaden, bollen, kruiden en vooral vruchten; in Marokko vormen vrucht en pit van de argan het hoofdvoedsel, op Fuerteventura vijgen, amandelen en tomaten uit de akkers. Daarnaast insecten, slakken en af en toe een vogelnest met eieren of jongen. De soort is sociaal en leeft in groepen rond een rotscomplex; groepen van vijftien dieren of meer zijn niet ongewoon. Steeds zitten er enkele dieren rechtop op een uitstekende steen of muurkop, als wachtpost en om te zonnen. De voortplanting begint in februari; vijftien tot dertig procent van de vrouwtjes krijgt in mei of juni een tweede worp. Een worp telt vier tot negen jongen. De belangrijkste natuurlijke vijand op Fuerteventura is de buizerd, in Marokko daarnaast de vos, slangen en de raaf.
Waar en wanneer kijken
Op Fuerteventura is de soort gemakkelijk te zien. Ga in de vroege ochtend naar de zoutpannen van Salinas del Carmen, de stuwmeertjes bij Betancuria of de bermmuurtjes langs de FV-30 door de bergen, en let op beweging op steenhopen en op de koppen van droge muurtjes. In de winter en het voorjaar, wanneer het eiland groen is, zijn de dieren het actiefst en zitten ze het langst rechtop. Voer ze niet en laat geen etensresten achter: het is een uitheemse soort, en voeren vergroot de problemen. In Marokko zijn de weg naar Oukaïmeden in de Hoge Atlas, de rotswanden van de Todra- en Dadèskloof en de arganhellingen achter Essaouira en Tafraoute betrouwbare plekken, telkens in het eerste uur nadat de zon op de helling staat.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016), en in het natuurlijke areaal algemeen: de Marokkaanse populatie is groot en niet bedreigd. In Spanje staat de soort op de Spaanse lijst van invasieve uitheemse soorten, wat handel, bezit, fok en vervoer verbiedt en de overheid verplicht de gevestigde populatie te beheren. De schade op Fuerteventura is drieledig: vraat aan akkerbouwgewassen en fruit, vraat aan de inheemse eilandflora en aan nesten van broedvogels, en de verspreiding van uitheemse planten zoals de vijgcactus, waarvan hij de zaden verspreidt. Een poging in de jaren zeventig om de soort met uit Toledo aangevoerde buizerds terug te dringen, mislukte. Uitroeiing van een populatie van bijna een miljoen dieren op een eiland van 1660 vierkante kilometer wordt niet haalbaar geacht; het beleid richt zich op het wegvangen van dieren die op andere eilanden opduiken, en dat is tot nu toe effectief.
Wetenschappelijke naam
Atlantoxerus getulus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sciurus getulus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Atlantoxerus verbindt Atlas, genitief Atlantos, het Noord-Afrikaanse Atlasgebergte, met de geslachtsnaam Xerus, bij het Griekse xēros 'droog'. getulus is het Latijnse Gaetulus 'van de Gaetuli', het Berberse volk van het binnenland van Noord-Afrika; Gaetulia was voor de Romeinen het land ten zuiden van Mauretanië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije.






