Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Spermophilus xanthoprymnus

Spermophilus xanthoprymnus | Spermophilus xanthoprymnus

Anatolian ground squirrel | Spermophilus xanthoprymnus

Spermophilus xanthoprymnus is de grondeekhoorn van Anatolië, in het Turks gelengi. De soort leeft in de kortgrazige steppe van de hoogvlakte, van Konya en Aksaray tot Erzurum. Zij behoort tot de best onderzochte soorten van het geslacht, omdat haar winterslaap jarenlang met zenders is gemeten: vrouwtjes blijven bijna zeven maanden onder de grond, mannetjes ongeveer anderhalve maand korter. Sinds 2019 staat de soort als gevoelig (NT) op de Rode Lijst.

Spermophilus xanthoprymnus (Spermophilus xanthoprymnus)
Foto: Zeynel Cebeci — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het belangrijkste spoor is de kolonie. Op het kale plateau zijn de holingangen van vijf tot acht centimeter vanaf de weg te zien: ronde gaten in de zode met een lage waaier van lichte, uitgegraven grond ervoor, bij tientallen op een beweid perceel. Rond de ingangen is de vegetatie tot op de grond afgegraasd, en daaromheen ligt een ring van korter, bloemrijker gras dan in de rest van het perceel; op de randen van graanakkers, die de soort ook bewoont, zijn die kale kringen tussen het gewas duidelijk zichtbaar. Tussen de ingangen lopen smalle uitgesleten paadjes. Op stenige hellingen liggen de ingangen bij losse blokken, die als uitkijkpost worden gebruikt en daar glad gesleten zijn. Vanaf half augustus zijn de ingangen van binnenuit dichtgestopt en lijkt de kolonie verlaten; in september zijn geen verse sporen meer te vinden. Keutels zijn klein, donker en droog en liggen verspreid. De alarmroep is een scherpe, korte fluittoon vanaf de rand van het hol.

Spermophilus xanthoprymnus, holingang in de steppezode bij ulukışla, met de bewoner die er net bovenuit kijkt — let op de kale, weggegraasde kring rond de pijp
Holingang in de steppezode bij Ulukışla, met de bewoner die er net bovenuit kijkt — let op de kale, weggegraasde kring rond de pijp · Foto: Zeynel Cebeci — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Spermophilus xanthoprymnus, wachtpost op een met korstmos begroeid rotsblok aan de voet van de demirkazık, aladağlar bij çamardı, niğde — steenachtige hoogsteppe onder de kalkwanden
Wachtpost op een met korstmos begroeid rotsblok aan de voet van de Demirkazık, Aladağlar bij Çamardı, Niğde — steenachtige hoogsteppe onder de kalkwanden · Foto: Erhan Veli Gül — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Spermophilus xanthoprymnus, kop van dichtbij: het bolle voorhoofd, de heel kleine ronde oren, de smalle witte oogring en de scherp witte kin tegen de gele borst
Kop van dichtbij: het bolle voorhoofd, de heel kleine ronde oren, de smalle witte oogring en de scherp witte kin tegen de gele borst · Foto: Zeynel Cebeci — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Kop-romp 14,5 tot 23,3 cm, staart 3 tot 7 cm, gewicht 172 tot 312 gram; mannetjes zijn duidelijk zwaarder dan vrouwtjes, en het gewicht verdubbelt bijna in de loop van de zomer. De rug is egaal geelbruin tot okerkleurig met een fijne, lichte spikkeling, zonder vlekken en vrijwel zonder marmering. De kop is bol, met grote donkere ogen en zeer kleine, ronde oren. Rond het oog ligt een duidelijke, smalle witte ring, en kin en keel zijn scherp wit tegen de gele borst; dat is van dichtbij het bruikbaarste kenmerk. Buik en binnenzijde van de poten zijn licht geelwit. De staart is kort en dun, aan de bovenzijde gekleurd zoals de rug, zonder zwarte zoom.

Gelijkende soorten

Het areaal is doorslaggevend. Dit is de grondeekhoorn van het Anatolische plateau, van de vlakten van Konya en Aksaray via Kayseri en Niğde tot de hooglanden van Erzurum, en verder in Armenië en Noordwest-Iran, tussen 800 en 2900 meter. In dit gebied lijkt slechts één andere soort erop, en die leeft zuidelijker en hoger: S. taurensis, in het westelijke en centrale Taurusgebergte boven duizend meter. De twee zijn nooit samen aangetroffen; de dichtstbijzijnde vindplaatsen liggen meer dan honderd kilometer uit elkaar. Op uiterlijk heeft taurensis een rodere rug, een langere staart en een langere achtervoet; deze soort is grijzer en geler en heeft een kortere staart. De siesel komt in Turkije alleen in Europees Thracië voor, ten westen van de Bosporus, en overlapt nergens met deze soort; de vier andere Europese soeslikken leven ten noorden van de Zwarte Zee en de Kaukasus. Buiten het geslacht is de Kaukasische eekhoorn een boombewoner met een lange pluimstaart, zijn de Perzische woestijnmuis (Meriones persicus) en de blindmuizen nachtactief of ondergronds, en worden de springmuizen van dezelfde vlakten pas na zonsondergang actief.

Leefgebied

Kortgrazige steppe op het Anatolische plateau, alsem- en tragantsteppe, glooiende rotsachtige berghellingen en randen van graanakkers, ruwweg tussen 800 en 2900 meter. Zoals alle soeslikken is de soort gebonden aan diepe, droge grond en lage vegetatie. Zij verdraagt landbouw beter dan de siesel en bewoont smalle stroken tussen percelen, braakland en beweide hellingen; graanvelden worden als voedselbron gebruikt en niet bewoond. In de hooglanden van Oost-Anatolië komt de soort tot in de alpiene weiden voor.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het areaal omvat Anatolië: het centrale plateau van Konya, Aksaray, Kayseri, Niğde en Sivas en de hooglanden van Erzurum en Kars, met uitlopers naar West-Armenië en Noordwest-Iran, en enkele geïsoleerde populaties in het zuiden, bij Antalya en op de Çukurova-vlakte. Het areaal ligt geheel in Azië; de soort bereikt de Bosporus niet. Op de Anatolische hoogvlakte is zij nog wijdverbreid, maar in de laatste decennia is zij verdwenen uit de laagst gelegen en vlakste delen, die het eerst zijn omgeploegd.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De soort is uitsluitend dagactief en van maart tot september bovengronds; de rest van het jaar is zij in winterslaap, waarover bij deze soort meer bekend is dan bij de andere Europese soeslikken. Volwassen mannetjes gaan gemiddeld op 31 augustus de grond in en komen op 14 februari boven, in totaal 168 dagen; vrouwtjes gaan op 11 augustus de grond in en komen pas op 10 maart boven, in totaal 212 dagen, bijna zeven maanden en daarmee ruim de helft van het jaar. Tijdens de winterslaap wisselen periodes van diepe torpor, waarin de lichaamstemperatuur meer dan tien graden daalt, af met korte opwarmingen; de ingang is van binnenuit dichtgestopt. De mannetjes komen ongeveer tien dagen vóór de vrouwtjes boven en zijn dan al paringsrijp. De paartijd duurt drie tot vier weken; na 25 tot 26 dagen dracht worden drie tot negen jongen geboren, gemiddeld vier tot zeven, die bij de geboorte minder dan zeven gram wegen en na 45 tot 50 dagen worden gespeend. Er is één worp per jaar. De soort leeft in kolonies waarin elk volwassen dier een eigen gangenstelsel heeft, en eet gras, kruiden, zaden, bollen en knollen, aangevuld met sprinkhanen en kevers. Predatoren zijn vos, steenmarter, hermelijn, steppebunzing, arendbuizerd en sakervalk.

Waar en wanneer kijken

De beste periode is half maart tot eind juni, tussen zeven en elf uur 's ochtends, op de hoogvlakten van Centraal-Anatolië. Bekende plekken zijn de steppe bij Ulukışla en de Aladağlar bij Niğde, de vlakte van Sultansazlığı ten zuiden van Kayseri en de omgeving van het Tuz Gölü. Rijd langzaam over veldwegen, let op de kale kringen met lichte aarde in het kortgegraasde gras, stop en wacht met de motor uit. Sakervalk en arendbuizerd jagen op dezelfde plekken. Na half augustus zijn de vrouwtjes niet meer bovengronds en na eind augustus ook de mannetjes niet; in september zijn alle dieren in winterslaap.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2019). De geschatte achteruitgang bedraagt twintig tot vijfentwintig procent in tien jaar. De belangrijkste oorzaken zijn de omzetting van steppe in graanakkers en de uitbreiding van irrigatie in Centraal-Anatolië. Waar geploegd wordt, verdwijnt de kolonie, en de smalle randen die overblijven zijn te klein voor een blijvende populatie. Daarnaast wordt de soort als schadelijk voor graan beschouwd en plaatselijk vergiftigd, en drogen de laaggelegen delen van het plateau uit. De soort is nog talrijk en wijdverbreid, waardoor de achteruitgang moeilijk vast te stellen is: er verdwijnen afzonderlijke kolonies, niet hele gebieden. Zij is een belangrijke prooisoort: in Centraal-Anatolië zijn sakervalk en arendbuizerd direct van haar afhankelijk, en veranderingen in haar aantallen zijn binnen enkele jaren terug te zien in hun broedsucces.

Wetenschappelijke naam

Spermophilus xanthoprymnus | (E. T. Bennett, 1835)

E. T. Bennett beschreef de soort in 1835 als Citillus Xanthoprymna; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Spermophilus is Grieks, van sperma 'zaad' en philos 'liefhebbend': de zaadliefhebber, naar het voedsel dat het dier in zijn wangzakken naar het hol draagt. xanthoprymnus is Grieks voor 'geelachterste', van xanthos 'geel' en prymnos 'achterst', naar de gele waas over stuit en achterpoten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Turkije, Erzurum.