Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Spermophilus taurensis
Spermophilus taurensis | Spermophilus taurensis
Tauren Ground Squirrel | Spermophilus taurensis
Spermophilus taurensis werd pas in 2007 beschreven, van de kalkhellingen van het westelijke Taurusgebergte boven Antalya, en is de minst bekende soort van het geslacht. Zij is roodbruiner en heeft een langere staart dan de andere grondeekhoorns van Turkije. Het areaal is klein, en over de voortplanting is niets gepubliceerd.
Sporen
Zoals bij alle grondeekhoorns is de kolonie het belangrijkste spoor; in steenachtig bergland is die minder opvallend dan in de steppe. De holingangen zijn vijf tot acht centimeter breed en liggen vaak tussen of onder kalkblokken en in de grazige plekken daartussen, waar de bodem diep genoeg is; op open weidevlakken liggen ze in de zode, met een lage waaier van lichter, grindig materiaal ervoor. Rond de ingangen is het gras kort afgegraasd; zo ontstaan lage, bloemrijke plekken tussen de doornige dwergstruiken. Tussen de ingangen lopen smalle paadjes over het gruis. Losse kalkblokken vlak bij een ingang worden gebruikt als uitkijkpost en zijn daar glad gesleten. Keutels zijn klein, donker en droog. De sporen zijn sterk seizoensgebonden: van eind augustus tot in maart zijn de ingangen van binnenuit dichtgestopt en is er weinig te zien. De alarmroep is een scherp fluitje, meestal vanaf een steen.
In zijn leefgebied

Herkenning
Kop-romp 19,4 tot 20,1 cm, staart 6,2 tot 6,5 cm, gewicht 201 tot 260 gram; even lang als een siesel, maar met een voor een grondeekhoorn lange staart van bijna een derde van de romplengte, die zichtbaar is zodra het dier zich uitstrekt. De rug is duidelijk roodbruin tot kaneelbruin, warmer en roder dan bij de andere Europese soeslikken, met een fijne lichte spikkeling maar zonder echte vlekken. De buik is geelwit tot roomkleurig, de flanken zijn oranjebruin en de kop is iets grijzer dan de rug, met een lichte oogring. De achtervoet is lang, 39 tot 44 mm, langer dan bij de siesel. De oren zijn klein en rond. In het veld is de soort een roodbruine, vrij slanke soeslik met een zichtbare staart, op steenachtige bergweiden tussen kalkblokken.
Gelijkende soorten
Het areaal is bepalend voor de determinatie: het westelijke en centrale Taurusgebergte boven ongeveer duizend meter, van Akseki en Yarpuz ten oosten van Antalya via Seydişehir en Erenkaya tot Mut in het zuidoosten. Dit is een strook van hooguit tweehonderd bij zestig kilometer waarin geen andere grondeekhoorn voorkomt. De enige soort waarmee verwarring mogelijk is, is S. xanthoprymnus van het Anatolische plateau ten noorden en oosten daarvan; de dichtstbijzijnde waarnemingen van die soort liggen meer dan honderd kilometer noordelijker, en waar de arealen elkaar naderen, zijn de twee nooit samen aangetroffen. Bij vergelijking, bijvoorbeeld op een foto zonder vindplaats, zijn de bruikbare verschillen: taurensis heeft een rodere rug, een langere staart en een langere achtervoet; xanthoprymnus is grijzer en okerkleuriger, met een duidelijk kortere staart. De siesel, de enige andere soeslik van Turkije, komt alleen voor in Europees Thracië, ten westen van de Bosporus. De overige Europese soorten leven ruim duizend kilometer noordelijker. Buiten het geslacht leeft in de Taurus geen ander dier van dit formaat overdag in kolonies op de grond; de Kaukasische eekhoorn, die in hetzelfde gebergte voorkomt, leeft in bomen en heeft een lange pluimstaart.
Leefgebied
Steenachtige bergweiden, kortgrazige hoogsteppe en open plekken tussen dwergstruiken en kalkblokken in het Taurusgebergte, van ongeveer duizend meter tot ruim boven de tweeduizend meter. De typelocatie ligt op 1542 meter. De soort is gebonden aan dezelfde combinatie als de alpenmarmot: grond die diep genoeg is om in te graven, lage vegetatie en rotsen die overzicht en dekking bieden. Beweiding door schapen en geiten houdt het gras kort en is gunstig, zolang de veedichtheid niet zo hoog wordt dat de vegetatie verdwijnt. Op de aangrenzende plateaus komt de soort ook op akkerranden en braakland voor.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De soort is endemisch in Zuid-Turkije. Alle bekende vindplaatsen liggen in het westelijke en centrale Taurusgebergte, in de provincies Antalya, Konya, Karaman en Mersin: van Akseki en Yarpuz, waar het type in 2007 werd verzameld, 111 km ten oosten van Antalya, via Seydişehir, Erenkaya en de Morca-yayla naar de Salamut-hoogvlakte en Mut. Er zijn minder dan zeventig gedocumenteerde vindplaatsen. In 2007 werd de soort vrijwel gelijktijdig een tweede keer beschreven, als Spermophilus torosensis; die naam is een jonger synoniem.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De soort is dagactief, met de meeste activiteit in de ochtend; op zonnige zuidhellingen blijven de dieren midden op de dag onder de grond. Zij leeft in kolonies waarin elk volwassen dier een eigen gangenstelsel heeft. Het voedsel bestaat uit grassen, kruiden, bloemen, zaden, bollen en knollen van de bergweide, aangevuld met insecten. Zoals alle soeslikken houdt zij een lange winterslaap, waarvoor in de zomer vetreserves worden opgebouwd; de ingang wordt van binnenuit dichtgestopt. De duur van de winterslaap is bij deze soort niet gemeten; bij de Anatolische buursoort S. xanthoprymnus bedraagt zij ongeveer een half jaar. Over de voortplanting is niets bekend: er zijn geen gegevens gepubliceerd over draagtijd, worpgrootte of leeftijd bij geslachtsrijpheid. Predatoren zijn vos, steenmarter, hermelijn en de arenden en valken van het gebergte.
Waar en wanneer kijken
De beste periode is mei en juni, tussen zeven en elf uur 's ochtends, op de hoogvlakten rond Akseki en Yarpuz, ruim honderd kilometer ten oosten van Antalya, of op de yayla's bij Seydişehir. Rijd over de bergwegen boven duizend meter en let op korte, bloemrijke weidevlakken tussen kalkblokken; stop, zoek met de verrekijker naar de lichte plekken bij de blokken en wacht. De dieren zitten vaak op stenen en zijn dan van ver te zien. Fotografeer bij voorkeur het hele lichaam met de staart, omdat staartlengte en rode rugkleur deze soort van S. xanthoprymnus onderscheiden, en noteer de coördinaten: de vindplaats is voor de determinatie doorslaggevend. Na half augustus zijn de dieren niet meer bovengronds.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2017), met een onbekende trend. De beoordeling berust op weinig gegevens: de IUCN gaat ervan uit dat de menselijke druk in het hooggelegen leefgebied laag is. Het areaal is echter klein en het aantal bekende kolonies ligt in de tientallen, waardoor de soort gevoelig is voor veranderingen in dat gebied. Mogelijke bedreigingen zijn de omzetting van hoogvlakten in akkerland, de aanleg van wegen en zomernederzettingen op de yayla's en veranderingen in de beweiding: te intensieve beweiding laat weinig vegetatie over, te weinig beweiding leidt tot dichtgroeien. Gegevens over populatiegrootte, dichtheid en voortplanting ontbreken vrijwel geheel.
Wetenschappelijke naam
Spermophilus taurensis | Gündüz, Jaarola, Tez, Yeniyurt, Polly, & Searle, 2007
Gündüz, Jaarola, Tez, Yeniyurt, Polly, & Searle beschreef de soort in 2007 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Spermophilus is Grieks, van sperma 'zaad' en philos 'liefhebbend': de zaadliefhebber, naar het voedsel dat het dier in zijn wangzakken naar het hol draagt. taurensis betekent 'van de Taurus', het gebergte in het zuiden van Turkije waar de soort werd ontdekt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Turkije.



