Alle soorten › Evenhoevigen › Holhoornigen › Bezoargeit

Bezoargeit | Capra aegagrus

Wild Goat | Cabra salvaje

De bezoargeit (Capra aegagrus) is de wilde stamvorm van de huisgeit en leeft in de gebergten van Turkije en de Kaukasus tot Iran, Afghanistan en Pakistan. In het gidsgebied bewoont ze Anatolië en de Kaukasus. Op enkele Griekse eilanden leven geiten van hetzelfde type, maar de dieren op Kreta, de kri-kri, worden tegenwoordig als verwilderde, vroeg gedomesticeerde geiten beschouwd.

Bezoargeit (Capra aegagrus)
Foto: Alexander Malkhasyan — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het slot is tweedelig, stomp en afgerond aan de punt, met een harde rand en een zachtere zool, en lijkt op dat van de huisgeit. Keutels liggen in hopen op rustplaatsen onder rotsen en in grotten. Bokken wrijven met hoorns en kop langs struiken en jonge bomen.

Herkenning

Een slanke wilde geit van 120 tot 160 cm kop-romplengte, 70 tot 100 cm schouderhoogte en 25 tot 95 kg, met een staart van 15 tot 20 cm. De bok draagt lange, sabelvormig naar achteren gebogen hoorns tot 130 cm, met een scherpe kiel aan de voorzijde waarop op afstanden knobbels staan; de geit heeft licht gebogen hoorns van 20 tot 30 cm. Bokken hebben een donkere kinbaard. In de winter is de vacht van de bok zilvergrijs tot bijna wit met een zwartbruine onderzijde, een zwarte streep over de rug en donkere tekening op hals, schouders en poten; in de zomer is de vacht korter en roodbruin. Geiten zijn het hele jaar geelbruin tot grijsbruin met een donkere rugstreep.

Gelijkende soorten

De huisgeit stamt van de bezoargeit af; verwilderde huisgeiten hebben meestal een onregelmatiger kleur en anders gevormde, vaak gedraaide hoorns, maar dieren van het oorspronkelijke type zijn niet altijd met zekerheid te onderscheiden. De alpensteenbok en de Spaanse steenbok komen buiten het areaal van de bezoargeit voor; de alpensteenbok heeft hoorns met brede, platte voorzijde en grove dwarse knobbels. De Nubische steenbok (Capra nubiana) van de Sinaï en de Levant heeft dunnere, in een halve cirkel gebogen hoorns zonder scherpe kiel. In de Kaukasus en Noord-Turkije deelt de bezoargeit het gebergte met de gems, die veel kleiner is en korte, haakvormige hoorns heeft.

Leefgebied

Rotsige hellingen, kliffen en kloven in bergbos en struweel, tot 3250 m in Turkije en 2700 m in de Kaukasus; ook kalksteengebergten met mediterraan struweel en open dennen- en jeneverbesbos. Steil, rotsig terrein in de buurt van voedsel is een voorwaarde.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Turkije en de Kaukasus in het westen tot Iran, Turkmenistan, Afghanistan en Pakistan in het oosten, in vier erkende ondersoorten. In Turkije leeft de soort in de Egeïsche, Middellandse Zee-, Zwarte Zee- en Zuidoost-Anatolische regio's, vooral in het Taurusgebergte. In de Kaukasus bewoont ze het bergbos in het stroomgebied van de Andi Koisoe in Dagestan, Tsjetsjenië en Georgië. De geiten op Kreta en op enkele kleinere Griekse eilanden, waaronder Gioura en Antimilos, worden tot de soort gerekend in oudere bronnen, maar de kri-kri van Kreta geldt nu als verwilderde huisgeit.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De bezoargeit is overdag actief, vooral in de ochtend en de namiddag. De seksen leven buiten de bronst grotendeels gescheiden; groepen tellen enkele tot meer dan honderd dieren. De bronst loopt van half december tot in januari. Na een dracht van gemiddeld 170 dagen worden één tot drie jongen geboren; de jongen worden na ongeveer zes maanden gespeend. De dieren eten grassen, kruiden en bladeren en twijgen van struiken en bomen.

Waar en wanneer kijken

Zoek in Turkije in de kalksteengebergten van het Taurusgebergte, vroeg in de ochtend, op kliffen en steile hellingen boven kloven. De dieren staan vaak stil op richels en zijn met een telescoop te vinden door rotswanden systematisch af te zoeken. In de winter zijn de bokken door hun lichte vacht op grotere afstand zichtbaar.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2020). Bedreigingen zijn stroperij, verlies van leefgebied door houtkap en concurrentie met vee. Veel populaties zijn klein en van elkaar gescheiden. Als wilde stamvorm van de huisgeit is de soort van belang voor het behoud van genetische variatie.

Wetenschappelijke naam

Capra aegagrus | Erxleben, 1777 (GBIF: Capra hircus)

Erxleben beschreef de soort in 1777 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Capra is het Latijnse woord voor 'geit'. aegagrus is het Griekse aigagros 'wilde geit', van aix (stam aig-) 'geit' en agrios 'wild'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.