Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Cnephaeus anatolicus

Cnephaeus anatolicus | Cnephaeus anatolicus

Anatolian Serotine | Cnephaeus anatolicus

Cnephaeus anatolicus is een laatvliegerachtige vleermuis van het oostelijke Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten. Felten beschreef haar in 1971 als Eptesicus anatolicus, met Alanya in de Turkse provincie Antalya als typelocatie. Lange tijd gold zij als ondersoort van Eptesicus bottae; op grond van genetische en morfologische gegevens wordt zij nu als aparte soort behandeld, al spreken de mitochondriale en de kerngenetische gegevens elkaar deels tegen. Sinds 2023 staat zij met de andere Oude-Wereldsoorten van Eptesicus in het geslacht Cnephaeus. In het gidsgebied komt zij voor op Rodos en Cyprus, in Zuid-Turkije en in de Levant.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Dagverblijven zijn gevonden in spleten tussen bakstenen en natuursteen in gebouwen; dieren die bij grotingangen in netten werden gevangen, wijzen erop dat de soort ook grotten gebruikt. In Syrië deelde zij verblijven met Savi's dwergvleermuis, grote hoefijzerneus, kleine vale vleermuis, vale vleermuis en franjestaart. Er zijn geen specifieke sporen van deze soort beschreven; mest onder een spleet in een muur is niet van die van andere spleetbewonende vleermuizen te onderscheiden.

Herkenning

Een vleermuis van het laatvliegertype, iets kleiner dan de laatvlieger: onderarm 46 tot 50 mm, kop-romp 66 tot 72 mm. De rugvacht is kort en licht tot donker crème-geelbruin, met een roestbruine tot bruingrijze zweem; de buik is witachtig beige. Gezicht, oren, vlieghuiden en poten zijn donkerbruin tot zwartbruin en steken af tegen de lichte vacht. De oren zijn vrij kort en driehoekig met afgeronde punt; de tragus is ongeveer half zo lang als het oor, over de hele lengte even breed, met ronde punt. Vleugels en staartvlieghuid zijn halfdoorschijnend; de staart steekt 3 tot 5 mm buiten de vlieghuid uit, en er is een duidelijke huidlob achter het spoorbeen. De zoekroepen zijn frequentiegemoduleerd met een vrijwel constant eind (FM/QCF); in Iran lag de piekfrequentie bij 28,9 tot 29,1 kHz, op Rodos liepen de roepen van ongeveer 29–32 kHz naar 27–28 kHz.

Gelijkende soorten

De laatvlieger (Cnephaeus serotinus) komt in Zuid-Turkije en de Levant voor met de ondersoort mirza. Hij is gemiddeld groter (onderarm 48 tot 58 mm) en heeft een langere, donkerder, rookbruine vacht; de onderarmmaten overlappen tussen 48 en 50 mm. Het contrast tussen de lichte, korte vacht en het zwartbruine gezicht en de donkere vlieghuiden is het beste uitwendige kenmerk van C. anatolicus. De roepen van beide soorten liggen in dezelfde band en zijn op de batdetector niet te scheiden. Savi's dwergvleermuis (Hypsugo savii), die in Syrië in dezelfde verblijven werd gevonden, is veel kleiner (onderarm 31 tot 38 mm). Een zekere determinatie berust op een dier in de hand, met maten en de vorm van het penisbeen, of op DNA.

Leefgebied

Droge en halfdroge gebieden, steppe en rotsig terrein, meestal niet ver van water, maar ook droog bos en gematigde leefgebieden: mediterraan bos en steppe-maquis in de Levant en Turkije, loofbossteppe in Irak en Iran. EUROBATS vermeldt een voorkeur voor kustzones met weinig begroeiing. In Libanon werd de soort vooral in laagland gevonden (tot 1025 m), in Syrië tussen 10 en 370 m; in het Zagrosgebergte in Iran leeft zij in hooglanden. Het handboek noemt een hoogte van zeeniveau tot boven 1850 m. De dieren jagen in open en half open terrein langs rotswanden en begroeiing en rond straatlantaarns.

Verspreiding

Rodos (Griekenland), Zuid-Turkije, Noordoost-Cyprus, Noord-Syrië, Libanon, Noord- en Oost-Irak en West- en Zuid-Iran. Binnen het gidsgebied liggen Rodos, Cyprus, de Turkse zuidkust en het westen van Syrië en Libanon; de Iraakse en Iraanse vindplaatsen vallen erbuiten. Binnen de Europese Unie is de soort alleen van Rodos en Cyprus bekend. In de zuidelijke Kaukasus zou zij samen met C. ognevi kunnen voorkomen. De soort is monotypisch.

Levenswijze

De dieren jagen in langzame vlucht in open en half open terrein en eten een wisselende reeks insecten. In Syrië bevatten twee reeksen mestmonsters vooral mieren (Formicoidea), twee reeksen maaginhouden vooral vliegen (Brachycera) en wantsen; in Turkije overheersten kevers, vooral loopkevers; op Rodos mieren; in Libanon kevers, vliesvleugeligen en wantsen. Kolonies zijn klein: meestal één tot drie dieren, in Turkije ook kraamkolonies van 15 tot 20 dieren. In Syrië werden eind mei vier drachtige vrouwtjes gevangen die elk twee embryo's droegen, en in juli een bijna volgroeid jong bij zijn moeder; de geboorten vallen daar waarschijnlijk in mei en juni. In Libanon werd begin juni een drachtig vrouwtje met twee embryo's gevonden. Over de overwintering is in de geraadpleegde bronnen niets vastgelegd.

Waar en wanneer kijken

Rodos en de Turkse zuidkust bij Antalya en Alanya zijn de plaatsen in het gidsgebied met de meeste gegevens. Een laatvliegerachtige vleermuis met een lichte vacht en zwartbruin gezicht, gezien bij het uitvliegen uit een muur in een dorp, is een aanwijzing; omdat de laatvlieger in hetzelfde gebied voorkomt, kun je zonder vangst of DNA alleen Cnephaeus spec. noteren. Vangen en hanteren van vleermuizen is in de betrokken landen vergunningplichtig.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021). Het handboek (2019) noemde de soort nog niet afzonderlijk beoordeeld en rekende haar tot E. bottae; de afzonderlijke beoordeling volgde in 2021. Over ecologie en bedreigingen is weinig bekend; de soort lijkt in het oostelijke Middellandse Zeegebied wijdverbreid en plaatselijk algemeen. Binnen de Europese Unie valt zij onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn, en zij valt onder het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Cnephaeus anatolicus | (Felten, 1971)

Felten beschreef de soort in 1971 als Eptesicus anatolicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Cnephaeus is Grieks, van knephaios 'duister, van de schemering', bij knephas 'schemer'; Kaup gaf de naam in 1829, en hij is pas onlangs weer in gebruik genomen. anatolicus betekent 'van Anatolië', naar de typelocatie in het zuiden van Turkije; Anatolē is Grieks voor 'zonsopgang, oosten'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Turkije, Antalya.