Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Myotis tschuliensis

Myotis tschuliensis | Myotis tschuliensis

Tschuli Myotis | Myotis tschuliensis

Myotis tschuliensis is de soort van het franjestaartcomplex in een gordel van de Krim via de Kaukasus en Noord-Iran tot Turkmenistan. Kuzyakin beschreef haar in 1935 als ondersoort van de franjestaart, M. nattereri tschuliensis, uit de Kopet Dag in Turkmenistan. Genetisch onderzoek van de franjestaarten van het Midden-Oosten en de Kaukasus leidde ertoe dat de Mammal Diversity Database haar als soort voert; het handboek behandelde haar in 2019 nog als ondersoort. Over deze vorm afzonderlijk is zeer weinig gepubliceerd.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Voor deze soort afzonderlijk zijn geen verblijfplaatsen, kolonies of andere aanwijzingen beschreven in de geraadpleegde bronnen. Uitwendige sporen zijn er nauwelijks, en de roep is binnen het complex niet op soort te brengen.

Herkenning

Een afzonderlijke beschrijving met uitwendige maten is in de geraadpleegde bronnen niet te vinden; het handboek neemt haar op onder de franjestaart en geeft geen aparte maten. Wat voor het franjestaartcomplex als geheel geldt: een middelgrote Myotis met een rand van stijve haren langs de achterrand van het staartvlies, een S-vormig spoorbeen, lange oren met plooien in de buitenrand, een spitse tragus langer dan de helft van het oor, een kaal, roze gezicht, een bruine tot grijze rug en een lichtgrijze tot witachtige buik. Kruskop en Solovyeva vonden verschillen in maten van schedel en gebit, maar die zijn in het veld niet bruikbaar. Roepgegevens voor deze soort afzonderlijk zijn niet gepubliceerd.

Gelijkende soorten

De naaste soorten zijn de franjestaart (M. nattereri in strikte zin), die volgens Uvizl en Benda in het oosten alleen in West-Anatolië en op Samos voorkomt, M. hoveli in de Levant, Zuid- en Oost-Anatolië en Noord-Irak, en M. schaubi in Iran en Armenië. Volgens het handboek lijken M. hoveli en M. tschuliensis aan M. schaubi verwant te zijn. De soorten leven volgens Uvizl en Benda in allopatrie of parapatrie, zodat de vindplaats de eerste aanwijzing is; een uitwendig kenmerk om ze te scheiden is niet beschreven. Kruskop en Solovyeva vonden met DNA van museumexemplaren dat de dieren uit de Kaukasus en uit Turkmenistan tot dezelfde genetische lijn behoren, maar dat beide populaties in schedel- en gebitsmaten ongeveer evenveel van elkaar verschillen als M. tschuliensis van de franjestaart; de status van de Kaukasische populatie vraagt volgens hen verder onderzoek. Waar de soort grenst aan de franjestaart of M. hoveli, bijvoorbeeld in Turkije, is DNA nodig, en bij voorkeur nucleair DNA, omdat binnen het complex mitochondriaal DNA tussen lijnen is uitgewisseld.

Leefgebied

Er zijn geen gegevens over het leefgebied van deze vorm afzonderlijk gepubliceerd in de geraadpleegde bronnen. Het areaal omvat bergbossen van de Krim en de Kaukasus en de bergen van Noord-Iran en de Kopet Dag; de franjestaart in strikte zin leeft vooral in bos, maar of dat ook voor deze soort geldt, is niet onderzocht.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Een gordel van de Krim via de Kaukasus en Transkaukasië en Noord-Iran tot Turkmenistan. Landen: Oekraïne (Krim), Rusland, Georgië, Armenië, Azerbeidzjan, Turkije, Iran, Irak en Turkmenistan. De grenzen met de verspreidingsgebieden van de franjestaart en M. hoveli in Turkije zijn onvolledig bekend. Omdat oudere gegevens uit dit gebied onder M. nattereri staan, moet het areaal uit genetisch onderzochte dieren worden afgeleid.

Levenswijze

Over voedsel, jachtwijze, voortplanting, overwintering en levensduur van deze soort afzonderlijk zijn in de geraadpleegde bronnen geen gegevens gepubliceerd. De soorten van het franjestaartcomplex pakken hun prooien grotendeels van bladeren en de grond, maar voor deze vorm is dat niet onderzocht.

Waar en wanneer kijken

Een vleermuis met een rand van stijve haren langs het staartvlies op de Krim, in de Kaukasus of in Noord-Iran is volgens de huidige indeling deze soort. Door het geringe aantal gegevens voegt elke gedocumenteerde waarneming, met vindplaats en zo mogelijk DNA, iets toe aan de kennis van het areaal.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld (NE) op de mondiale Rode Lijst; de soort is sinds de afsplitsing nog niet afzonderlijk beoordeeld. Gegevens over aantallen, trend en bedreigingen ontbreken. De soort staat in het Rode Boek van Turkmenistan.

Wetenschappelijke naam

Myotis tschuliensis | Kuzyakin, 1935

Kuzyakin beschreef de soort in 1935 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. tschuliensis betekent 'van Tsjoeli', de kloof in de Kopet Dag bij Asjchabad in Turkmenistan waar Kuzyakin het dier vandaan beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Turkmenistan, Kopet Dag.