Alle soorten › Vleermuizen › Muisstaartvleermuizen › Egyptische klapneusvleermuis

Egyptische klapneusvleermuis | Rhinopoma microphyllum

Greater mouse-tailed bat | Rhinopoma microphyllum

De grootste soort van de muisstaartvleermuizen (Rhinopomatidae), een familie van droge gebieden van Noord-Afrika tot India met een lange, dunne staart die grotendeels vrij buiten het staartvlies uitsteekt. De soort is in 1782 door Morten Thrane Brünnich beschreven; de typelocatie is later vastgelegd op Gizeh in Egypte. In het gidsgebied leeft ze in de Maghreb, de Nijlvallei en de Levant, waar ze de winter in een ondiepe, maandenlange torpor doorbrengt.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De soort verblijft in rotsspleten, kleine en grote grotten, mijnen, ondergrondse tunnels, putten, oude monumenten en gebouwen, en verdraagt daarbij lage luchtvochtigheid en daglicht. In grote verblijven hangen de dieren in compacte trossen met onderling contact; kolonies tellen meestal tientallen tot enkele honderden dieren, maar kunnen tot tienduizenden oplopen. Voor het uitvliegen neemt de activiteit in de kolonie ongeveer een uur lang toe. De uitvlucht begint ongeveer tien minuten na zonsondergang, in groepen van tientallen tot honderden dieren. Op de batdetector klinken lange, vlakke pulsen rond 28 kHz.

Herkenning

Een vrij grote vleermuis met een onderarm van 57 tot 74 mm en een gewicht van 14 tot 40 g, het zwaarst in de late zomer. Het kenmerk van de familie is de lange, dunne staart, die voor het grootste deel vrij buiten het smalle staartvlies uitsteekt; bij deze soort is de staart meestal korter dan de onderarm (gemiddeld 92 procent ervan) en soms dikker ogend. De grote oren zijn aan de basis door een huidplooi over het voorhoofd verbonden. Op de snuit zit een breed trapeziumvormig neuskussen met spleetvormige neusgaten die kunnen sluiten; een echt neusblad ontbreekt vrijwel. De vacht is fijn en zijdeachtig, eenkleurig per haar, dof grijs tot geelbruin of roodbruin, aan de buikzijde lichter, soms witachtig. De echolocatie bestaat uit lange pulsen van bijna constante frequentie met meerdere harmonischen, met de meeste energie in de tweede harmonische bij 27 tot 31 kHz: gemiddeld 28 kHz in Jordanië en Israël, 27,1 kHz in Iran en 28,2 tot 31,2 kHz in Algerije. De pulsen duren 9 tot 15 milliseconden.

Gelijkende soorten

Rhinopoma cystops, de Arabische muisstaartvleermuis, is de enige andere muisstaartvleermuis in het gidsgebied en hangt in Israël in dezelfde winterkolonies. Ze is kleiner (onderarm 50–67 mm, gewicht 6,5–17 g) en heeft een staart die duidelijk langer is dan de onderarm (116 tot 137 procent) en langere scheenbenen; de tweede harmonische van haar roep ligt hoger, rond 32 tot 37 kHz. De kleine klapneusvleermuis (R. hardwickii) lijkt op R. cystops, maar leeft in de huidige opvatting pas vanaf Zuidoost-Irak oostwaarts. De Europese bulvleermuis (Tadarida teniotis) en de kaalbuikgrafvleermuis (Taphozous nudiventris) hebben ook een staart die deels vrij uitsteekt, maar bij hen steekt alleen het laatste stuk buiten het vlies, niet een lange, dunne muizenstaart.

Leefgebied

Droge streken met schaarse begroeiing, meestal met minder dan 300 mm neerslag per jaar: rotsige woestijn en, in het zuiden van het areaal, halfwoestijn. De soort komt voor van zeeniveau in Egypte tot 1200 m in Marokko. De dieren jagen in open ruimte. In Israël liggen de zomerverblijven van mannetjes hoger in het landschap dan die van vrouwtjes, en ze jagen ook op andere plekken. In de winter gebruiken ze daar bij voorkeur door aardwarmte verwarmde grotten met een vrij constante temperatuur van ongeveer 20 °C en een luchtvochtigheid van bijna 100 procent.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Bevestigd in Noordwest-Afrika, de Sahel en de Nijlvallei, en oostwaarts door het Midden-Oosten en West-Arabië tot Noordwest- en Midden-India; enkele, meest historische vondsten wijzen op voorkomen in Oost- en Zuidoost-India. Opgaven voor Bangladesh, Myanmar, Thailand en Sumatra worden niet door recente vondsten gesteund; een melding uit Lombok berust op een verwisseling. In het gidsgebied valt het voorkomen in Marokko en Algerije, in de Nijlvallei in Egypte en in de Levant (Israël, Jordanië, Libanon). Het handboek behandelt de soort als monotypisch; zes vroeger beschreven ondersoorten verschillen vooral in gemiddelde grootte, en hun status vraagt om een revisie.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

In het noorden van het areaal brengt de soort de winter door in torpor: in Israël vijf maanden, van november tot maart, in grote winterkolonies. De dieren blijven daarbij zonder periodiek ontwaken in torpor, verlaten het verblijf niet om te eten en leven van hun vetreserve; hun huidtemperatuur ligt 1 tot 3 °C boven die van de grot, en een ademcyclus kan tot 16 minuten duren. Beneden 16 °C schakelen ze over op een normale lichaamstemperatuur. In mei, na aankomst in de zomerverblijven, eten ze een breed scala aan prooi, vooral kevers en vlinders; van juli tot september bestaat het voedsel voor meer dan 90 procent uit grote gevleugelde mieren (Camponotus), en in die periode nemen mannetjes snel in gewicht toe (gemiddeld 25 tot 39 g). Groepen jagen samen; een vrouwtje vloog in één nacht tot 90 km. Paring vindt plaats in maart-april, vóór de dieren zich in de zomer naar geslacht scheiden. In Israël wordt meestal begin juli één jong geboren; de draagtijd is in India geschat op ongeveer 123 dagen. Vrouwtjes zijn waarschijnlijk pas in hun tweede jaar geslachtsrijp. In Israël tellen de grootste zomerkolonies 3000 tot 6000 mannetjes of 5000 tot 10.000 vrouwtjes.

Waar en wanneer kijken

Een bekende kolonie in Noord-Israël, waar de soort in hoge dichtheden voorkomt, geeft bij de uitvlucht, kort na zonsondergang, groepen grote vleermuizen met een zichtbare dunne staart. Een detector die rond 28 kHz meeluistert, laat de lange, vlakke pulsen horen; zijn er ook roepen rond 34 kHz, dan is R. cystops eveneens aanwezig. Muisstaartvleermuizen in winterslaap ontwaken volgens onderzoek in Israël niet periodiek, reageren direct op prikkels en vliegen bij verstoring snel weg; elke verstoring kost vetreserve die tot het voorjaar moet volstaan.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016). De soort is wijdverbreid en algemeen, zonder grote bedreigingen; in sommige streken, vooral de Sahel en West-Afrika, is ze alleen van enkele losse vondsten bekend.

Wetenschappelijke naam

Rhinopoma microphyllum | (Brünnich, 1782)

Brünnich beschreef de soort in 1782 als Vespertilio Microphyllus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Rhinopoma is Grieks, van rhis, genitief rhinos, 'neus', en pōma 'deksel', naar de huidkleppen waarmee het dier zijn neusgaten kan afsluiten. microphyllum is Grieks voor 'kleinbladig', van mikros 'klein' en phyllon 'blad', naar het kleine neusblad. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Giza.