Alle soorten › Roofdieren › Marterachtigen › Veelvraat
Veelvraat | Gulo gulo
Wolverine | Glotón
De veelvraat is de grootste marterachtige die op het land leeft. Binnen het gidsgebied komt hij alleen voor in het noorden van Fennoscandinavië en in het aangrenzende Rusland, in fjell, taiga en toendra. Het dier zelf wordt weinig gezien; het meeste veldwerk aan de soort berust op sporen in de sneeuw, op DNA uit keutels en haar, en op het tellen van werpholen in sneeuwduinen.
Sporen
De prent is groot: de voorvoet meet 9 tot 18 cm lang en 7 tot 14 cm breed, de achtervoet 8 tot 12 cm lang en 6 tot 14 cm breed. Normaal zijn vijf tenen met nagelindrukken zichtbaar; op harde ondergrond drukken vaak alleen de vier voorste tenen af. De veelvraat loopt deels op de voetzool, zodat in zachte sneeuw een deel van de zool meekomt. Het gewone gangpatroon is een galop waarbij de prenten in groepjes van drie (Noors: trespor) achter elkaar liggen; het spoor loopt doelgericht door het terrein. Van een lynx verschilt de prent in de nagelindrukken en de vijfde teen, van een wolf of hond in het aantal tenen en de bredere, rondere voorkant; in vergelijking met een beer spreidt het spoor veel minder. Bij een gedode prooi, meestal een rendier of een schaap, wijzen krachtige beten boven in de nek en over de rug met een hoektandafstand van 2,4 tot 3,5 cm en verbrijzelde halswervels op de veelvraat. Prooien en delen ervan worden verstopt: in bronnen, venen, beken, puinhellingen en in sneeuwduinen, of klemgezet in een boomvork, en afgedekt met sneeuw of aarde. Bij werpholen liggen grote hoeveelheden keutels op vaste latrineplekken.
Herkenning
Een zwaar gebouwd, gedrongen dier met korte poten, grote voeten met krachtige nagels en een brede kop met kleine, ronde oren. De vacht is lang en varieert van bijna blond tot donkerbruin. Kenmerkend zijn twee lichte, geelachtige banden die van de nek over de flanken naar het achterlijf lopen; op keel, borst of poten staan vaak witte vlekken. De staart is kort en borstelig. Mannetjes wegen tot 18 kg, vrouwtjes tot ongeveer 12 kg.
Gelijkende soorten
Een jonge bruine beer heeft een vergelijkbaar silhouet en loopt eveneens op de hele voetzool, maar mist de lichte flankbanden en de borstelige staart; De das is grijs en heeft een zwart-wit gestreepte kop. De boommarter heeft dezelfde bouw in het klein, maar weegt hooguit twee kilo, is slanker en heeft een gele of oranje keelvlek. Op een cameravalbeeld in het donker kan een hond of een vos op een veelvraat lijken tot de korte poten en de lichte band in beeld komen. In de sneeuw ligt de verwarring vooral bij de prent: die van een veelvraat is ongeveer zo groot als die van een lynx of een wolf.
Leefgebied
Rijp naaldbos in de taiga en de boomloze toendra, in Noorwegen vooral de berggebieden. De soort gebruikt in de winter meer bos en in de zomer meer open toendra, en verplaatst zich seizoensgebonden in de hoogte: in de zomer hoger, in de winter lager, vermoedelijk onder invloed van sneeuw en prooiaanbod. Werpholen liggen in alpien, subalpien of toendraterrein onder een laag sneeuw van ten minste een meter, in Noorwegen meestal in een sneeuwduin tegen een lage rotswand. Studies in Noord-Amerika laten zien dat de soort wegen, kapvlakten en gebieden met veel wintersport mijdt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Circumpolair: Fennoscandinavië, Rusland, Mongolië, Noord-China, Canada en het westen van de Verenigde Staten. Binnen het gidsgebied beperkt de soort zich tot Noorwegen, Zweden, Finland en het noordwesten van Rusland; de Mammal Diversity Database noemt ook Estland. In Noorwegen leeft hij vooral in de berggebieden langs de grens met Zweden en Finland, van Innlandet noordwaarts. Een ruimtelijke vangst-hervangstanalyse van de Noorse Universiteit voor Levenswetenschappen (NMBU), gebaseerd op een reeks van negen winters (2014–2022), schatte de Scandinavische populatie op 980 tot 1088 dieren, met een lichte groei die vooral in Zweden plaatsvond; de Noorse populatie bleef in die periode gelijk. De dichtheid ligt in Scandinavië rond één dier per 500 km².
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overwegend nachtactief, maar ook overdag op pad, en het hele jaar actief: diepe sneeuw hindert de soort niet. De veelvraat leeft solitair, zwemt goed en klimt in bomen. Hij legt grote afstanden af; dagtochten van meer dan 30 km zijn gewoon. Het voedsel bestaat voor een groot deel uit aas van grote hoefdieren, zoals eland en rendier, en in veel gebieden uit prooien die door wolven of andere grote roofdieren zijn gedood. Daarnaast jaagt hij zelf op rendieren (vooral bij diepe sneeuw), schapen, knaagdieren, hazen, vogels en eieren, en eet hij af en toe bessen. Grote prooien worden gedood met een beet in nek of keel. De paartijd valt van mei tot augustus; de bevruchte eicel nestelt zich pas in november tot maart in, zodat de jongen in januari tot april worden geboren, na een totale draagtijd van 215 tot 270 dagen. Een worp telt een tot vijf, meestal twee tot vier jongen van ongeveer 84 gram, behaard maar met gesloten ogen. Ze worden na zeven tot acht weken gespeend en zijn in november volgroeid; dan verlaten ze de moeder. Vrouwtjes werpen ongeveer eens in de twee jaar en worden pas na twee tot drie jaar geslachtsrijp.
Waar en wanneer kijken
De kans om een veelvraat zelf te zien is klein; de sneeuw levert de meeste waarnemingen op. Van februari tot april, als er een draagkrachtige sneeuwlaag ligt, is een spoor in het fjell over kilometers te volgen. Zoek naar het galopspoor met drie prenten per groep en tel de tenen: vijf wijst op veelvraat, vier met ronde voorkant op een hondachtige of lynx. Omdat de soort voedsel verstopt en naar aas terugkeert, is een cameraval bij een kadaver van een rendier of eland een gebruikelijke methode. Werpholen in sneeuwduinen mogen niet worden verstoord; blijf bij een vondst op afstand en meld de locatie bij de nationale rovdiermonitoring.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2025) op wereldschaal. In het verleden heeft de pelsjacht bijgedragen aan een afname in aantal en verspreiding, en de soort is lang vervolgd vanwege predatie op rendieren en schapen. In Noorwegen staat de veelvraat als sterk bedreigd (EN) op de nationale Rode Lijst. Het beheer werkt daar met een landelijk doel van 39 worpen per jaar; in 2025 stelde Rovdata 51 worpen vast en werd de populatie op 370 volwassen dieren geschat. De Scandinavische monitoring berust op DNA uit keutels en haar en op de registratie van werpholen.
Wetenschappelijke naam
Gulo gulo | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mustela Gulo; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gulo is het Latijnse woord voor 'gulzigaard, veelvraat', bij gula 'keel'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lapland.






