Alle soorten › Roofdieren › Marterachtigen › Steenmarter

Steenmarter | Martes foina

Stone marten | Garduña

De steenmarter is een marter van open en halfopen landschap, rotsen en bebouwing, van West-Europa tot Centraal-Azië. Hij leeft vaak in gebouwen en wordt daardoor van alle marters het vaakst in de nabijheid van mensen vastgesteld, meestal aan zijn sporen: keutels en aangevreten kabels en isolatie. Van de boommarter is hij in het veld alleen onder goede omstandigheden te onderscheiden.

Steenmarter (Martes foina)
Foto: M.zlinko — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De prent van de voorvoet is 30 tot 40 mm breed en 30 tot 35 mm lang, die van de achtervoet ongeveer 35 mm lang en 43 mm breed. De keutel is 8 tot 10 cm lang en 10 tot 12 mm dik, en bevat vaak pitten en zaden van vruchten en bessen. In gebouwen zijn aangevreten kabels en kapotgemaakte isolatie kenmerkend. Rustplaatsen liggen in rotsspleten, steenhopen, holle bomen, oude holen en gebouwen.

Herkenning

Een slanke marter met een lange romp, korte poten en een ruige staart van ongeveer de halve romplengte. De vacht is grijsbruin tot donkerbruin; poten en staart zijn donkerder dan de rug. Kenmerkend is de witte tot roomwitte keelvlek (bef), die vaak in twee delen is gesplitst die tot op de voorpoten doorlopen. De ondervacht is licht en schemert door de bovenvacht heen, waardoor het dier grijzer oogt dan een boommarter. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes: in Nederland gemeten mannetjes zijn 40 tot 52 cm lang en wegen 1400 tot 2100 g, vrouwtjes 37 tot 48 cm en 900 tot 1700 g.

Gelijkende soorten

De boommarter is de enige soort waarmee verwarring reëel is. Het beste veldkenmerk is de ondervacht: licht bij de steenmarter, donker bij de boommarter. De bef van de steenmarter is wit en vaak gevorkt tot op de voorpoten. Aan de schedel verschilt de derde bovenpremolaar: bij de steenmarter is de buitenrand licht bol, bij de boommarter hol. Op een cameravalbeeld in het donker of bij een kort gezien dier in koplampen is de soort vaak niet met zekerheid vast te stellen. De bunzing is donkerder, heeft een wit gezichtsmasker, geen bef en een kortere staart.

Leefgebied

Bos en open en rotsig terrein tot 4000 m hoogte, maar ook versnipperd bos, houtwallen, akkerland, dorpen en steden. De soort leeft in opener terrein dan de andere marters. In een onderzoek in versnipperd agrarisch landschap gaf zij de voorkeur aan terrein met bosjes en struweel en aan waterlopen met doorlopende oeverbegroeiing, en werd akkerland gemeden. De soort leeft ook dicht bij mensen en gebruikt gebouwen als rustplaats.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het vasteland van Midden- en Zuid-Europa, de Kaukasus, Turkije, de Levant en verder het Midden-Oosten en Centraal-Azië tot Mongolië, Midden- en Zuidwest-China en Noord-Myanmar. De soort ontbreekt in Groot-Brittannië en Ierland; in Scandinavië komt zij voor in Denemarken en in het zuiden van Zweden. Op Ibiza is zij ingevoerd en weer verdwenen; in de Verenigde Staten (Wisconsin) is zij ingevoerd.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nacht- en schemeractief; een dier kan per nacht 10 tot 15 km afleggen. Steenmarters leven solitair. Ze klimmen goed, maar gaan zelden hoog in bomen. Leefgebieden meten volgens verschillende studies 12 tot 211 ha, in Nederland 80 tot 700 ha; ze zijn in de zomer groter dan in de winter en bij mannetjes groter dan bij vrouwtjes. Het voedsel bestaat uit knaagdieren, vogels, eieren, reptielen, amfibieën, insecten en vruchten en bessen, met sterke verschillen per seizoen en regio: in Frankrijk vormden woelmuizen 30 tot 55% van het voedsel, in Midden-Italië waren vruchten het hoofdvoedsel en bestond het wintervoedsel voor 84% van het volume uit vruchten, vooral jeneverbes en sleedoorn. De paartijd valt in juni tot augustus. Door verlengde draagtijd, met een uitgestelde innesteling van het bevruchte eitje, worden de jongen pas in maart of april geboren; de totale draagtijd is 230 tot 275 dagen, de eigenlijke ontwikkeling ongeveer 30 dagen. Er zijn meestal 3 tot 4 jongen.

Waar en wanneer kijken

Zoek naar sporen in en rond gebouwen: keutels met pitten en zaden, en aangevreten kabels en isolatie. Een cameraval bij een keutelplek levert de beste beelden op; let op de ondervacht en de vorm van de bef om de soort van een boommarter te onderscheiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024). De soort is in het grootste deel van Europa en Azië algemeen. Zij wordt bejaagd om haar pels, die minder waard is dan die van de boommarter. In Nederland neemt de soort toe, behalve in het westen van het land; verkeer en illegale bestrijding zijn er de belangrijkste doodsoorzaken, ondanks wettelijke bescherming.

Wetenschappelijke naam

Martes foina | (von Schreber, 1776)

Von Schreber beschreef de soort in 1776 als Mustela Foina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Martes is het laatlatijnse woord voor 'marter', overgenomen uit een Germaanse taal (vergelijk Duits Marder); de verdere herkomst is onbekend. foina gaat terug op het laatlatijnse fagina 'van de beuk', bij fagus 'beuk'; het Franse fouine en het Nederlandse steenmarter-alternatief beukmarter komen van dezelfde gedachte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.