Alle soorten › Roofdieren

Roofdieren | Carnivora

Carnivores | Carnívoros

Roofdieren zijn te herkennen aan één paar kiezen: de laatste valse kies boven en de eerste ware kies onder zijn tot messen verhoogd die langs elkaar heen schuiven en vlees en pees doorknippen als een schaar. De hoektanden zijn lang en kegelvormig, het kaakgewricht laat vrijwel alleen op-en-neergaande beweging toe en de slaapspieren zijn zwaar. De voeten dragen vier of vijf tenen met klauwen, bij de meeste families vast en bij de katten intrekbaar; de meeste soorten lopen op de tenen, de beren en de dassen op de hele zool. Reuk is de leidende zin, de ogen staan naar voren en achter het netvlies ligt een spiegelende laag die het weinige licht een tweede keer benut. De jongen komen blind en hulpeloos in een hol ter wereld, en bij verscheidene groepen blijft de bevruchte eicel maanden in rust voordat de dracht werkelijk op gang komt.

Families in deze orde

  • Marterachtigen | Mustelidae13 soortenEen lang, buisvormig lichaam op korte poten: die vorm laat een wezel een woelmuis tot in haar eigen gang volgen, maar levert veel oppervlak bij weinig inhoud, zodat er onafgebroken warmte weglekt. Geen enkele soort houdt daarom winterslaap en de kleinste moeten dagelijks een aanzienlijk deel van hun eigen gewicht eten. De voeten dragen vijf tenen met vaste klauwen; de das loopt op de hele zool en graaft er een uitgebreide burcht mee, de otter heeft zwemvliezen. Bij de anus liggen klieren die een doordringende geur afscheiden, gebruikt om te merken en bij de bunzing ook om te verdedigen. De dodende beet is op de nek gericht. Bij een deel van de familie blijft de bevruchte eicel maanden zwevend in de baarmoeder voordat de dracht op gang komt, zodat er in de zomer wordt gepaard en pas het volgende voorjaar geworpen. De vacht is dicht en houdt bij de otter een laag lucht vast; hermelijnen worden in het noorden 's winters wit.
  • Beren | Ursidae2 soortenDe zwaarste landroofdieren, met een massief lichaam, een korte staart en zoolgangende voeten die de hele voetzool neerzetten; de vijf tenen dragen lange, niet-intrekbare klauwen die voor graven en klimmen dienen en niet als wapen. De schaarwerking van het roofdiergebit is bij deze familie grotendeels verdwenen: de kiezen zijn breed en vlak gekroond en malen bessen, wortels, noten en insecten, die voor de meeste beren het grootste deel van het menu uitmaken. Reuk is verreweg de belangrijkste zin. De gang is een trage telgang, maar ze klimmen en zwemmen goed en kunnen over korte afstand hard rennen. De winter wordt in een leger doorgebracht in een diepe rust waaruit het dier gewekt kan worden en waarbij de lichaamstemperatuur maar enkele graden daalt; de jongen worden midden in die periode geboren, klein, blind en naakt. De ijsbeer maakt een uitzondering: op het zeeijs is hij weer volledig vleeseter geworden.
  • Hondachtigen | Canidae9 soortenGebouwd om prooi af te matten: lange poten, een diepe smalle borstkas en tenengangende voeten met vier dragende tenen en stompe klauwen die niet kunnen worden ingetrokken en die grip geven maar als wapen onbruikbaar zijn. De snuit is lang en achter de snijkiezen blijven de achterste kiezen breed en knobbelig, zodat de familie ook op vruchten, kevers en afval kan leven — een gebit dat zowel snijdt als kraakt. Reuk is de leidende zin, over een zeer groot en fijn bezet reukoppervlak, en de rechtopstaande oren zijn afzonderlijk draaibaar. Er wordt veel gemeld: gehuil, geblaf, gejank en gejammer, en verder geurmerken met urine en uitwerpselen op vaste plaatsen. Eenmaal per jaar wordt in een hol een worp blinde, hulpeloze jongen geboren; het paar blijft bijeen en bij verscheidene soorten helpen de jongen van het vorige jaar bij het grootbrengen.
  • Katachtigen | Felidae7 soortenDe strengste vleeseters van de orde. De kiezenrij is tot een schaar teruggebracht: de snijkiezen sluiten als messen langs elkaar en de malende achterste kiezen zijn vrijwel verdwenen. De hoektanden zijn lang en zo geplaatst dat ze tussen de halswervels van de prooi glijden, en de korte kaak brengt de beet dicht bij het scharnier, waar hij het krachtigst is. De klauwen worden in rust door elastische banden in een huidschede omhooggetrokken en pas bij het grijpen door spierkracht uitgeslagen, zodat ze niet slijten en scherp blijven. De poot is tenengangend en op kussentjes gezet: het lopen is geluidloos. De ogen staan naar voren, met een spiegelende laag achter het netvlies en bij de kleine soorten een spleetvormige pupil. Er wordt niet achtervolgd maar besprongen: sluipen tot op enkele meters en dan één korte, snelle uitval. Op de leeuw na leven alle soorten alleen en op een eigen, gemerkt gebied.
  • Mangoesten | Herpestidae2 soortenSlanke, laag op de poten staande roofdieren met een spitse snuit, kleine ronde oren die laag op de kop staan en kunnen worden gesloten, en een goed behaarde staart die bij de wortel dik is en spits toeloopt. De vacht is grijsgespikkeld doordat elk dekhaar afwisselend licht en donker geringd is. De vijf tenen dragen lange, stompe klauwen die niet kunnen worden ingetrokken en die vooral voor graven dienen. De pupil is horizontaal — een aanwijzing dat het hier om dagdieren gaat, wat onder kleine roofdieren ongewoon is. Bij de anus ligt een ruime kliertas waarmee steenblokken en boomstammen worden gemerkt. Ze zijn opvallend snel van reactie en gaan gewoontegetrouw om met gevaarlijk voedsel: slangen, schorpioenen, en eieren die achterwaarts tussen de achterpoten door tegen een steen worden gekeild. De twee soorten van dit gebied leven elk voor zich of in een losse familiegroep.
  • Hyena's | Hyaenidae1 soortEen aflopende rug — de voorpoten zijn langer dan de achterpoten — en een stijve manen over de ruggengraat die bij dreiging wordt opgezet en het dier veel groter doet lijken. De kop is zwaar, met een korte brede snuit en buitengewoon sterke kauwspieren. Achter de nog steeds snijdende schaarkiezen staan de voorste kiezen als dikke, kegelvormige stampers waarmee pijpbeenderen worden gekraakt; daardoor kan een hyena een karkas benutten dat andere roofdieren hebben laten liggen, en het botmeel maakt de uitwerpselen bij het opdrogen krijtwit. De voorvoeten zijn groter dan de achtervoeten en dragen stompe klauwen. Ze zijn nachtactief en leggen in een onvermoeibare, hoekige draf grote afstanden af. Bij de anus ligt een grote kliertas die naar buiten wordt gekeerd om een geurpasta op grasstengels en takken te strijken. De soort van dit gebied leeft alleen of in paren, langs de zuidelijke en oostelijke rand.
  • Civetkatten en genetkatten | Viverridae1 soortLanggerekte, laagpotige roofdieren met een spitse snuit, een gevlekte vacht en een lange staart met een reeks scherp afgetekende donkere ringen die bijna de halve lichaamslengte inneemt. Anders dan de meeste roofdieren buiten de katten kunnen de klauwen worden ingetrokken, en dat maakt deze dieren voortreffelijke klimmers: ze lopen over takken met de staart als evenwichtsbalk en komen met de kop naar beneden een stam af. De pupil is een verticale spleet, wat op een nachtdier wijst, en de snorharen zijn zeer lang. Tussen anus en geslachtsdelen ligt een klierzak die een sterk ruikende afscheiding levert waarmee vaste plekken in het gebied worden gemerkt. Het menu is breed: knaagdieren, vogels, hagedissen, insecten en vrucht. Ze leven ieder voor zich. De genetkat van Zuidwest-Europa is vrijwel zeker eeuwen geleden vanuit Noordwest-Afrika ingevoerd.
  • Wasberen en neusberen | Procyonidae2 soortenZoolgangende alleseters met vijf tenen aan elke voet en niet-intrekbare, gebogen klauwen. Bij de wasbeer zijn de handpalm en de vingers bezet met een uitzonderlijk dicht veld tastlichaampjes: hij zoekt zijn voedsel op de tast in ondiep water en onder stenen, en die tastzin is scherper dan zijn gezichtsvermogen — in water wordt hij nog gevoeliger, wat het bekende 'wassen' verklaart. De achtervoet kan zo ver worden gedraaid dat het dier met de kop naar beneden uit een boom komt. De staart is lang en geringd. Het gebit is dat van een alleseter: de schaarwerking is afgestompt en de kiezen zijn breed. De neusbeer wijkt af met een lange, zeer beweeglijke snuit waarmee in de strooisellaag wordt gewroet, en met wijfjes en jongen die in troepen rondtrekken terwijl de volwassen mannetjes alleen leven. Beide Europese soorten komen uit Amerika en zijn uit gevangenschap ontsnapt.
  • Zeehonden | Phocidae8 soortenRoofdieren die naar het water zijn teruggekeerd en het daar zo ver hebben gebracht dat ze op het land nauwelijks meer vooruitkomen: de achterpoten staan permanent naar achteren gericht en kunnen niet onder het lichaam worden gevouwen, zodat een zeehond op het strand rupsend voortschuift. In het water zijn het juist die achtervoeten die stuwen, met slagen van links naar rechts. Er is geen uitwendig oor — de naam oorloze zeehonden komt daarvandaan — en de neusgaten sluiten vanzelf. Onder de huid ligt een dikke laag spek die isoleert, drijfvermogen geeft en als voorraad dient; de vacht doet er weinig toe en wordt jaarlijks in één keer verwisseld. Bij het duiken zakt de hartslag tot enkele slagen per minuut en wordt het bloed naar hart en hersenen geleid. Het jong wordt op het land of op het ijs geboren, drinkt melk die tot de helft uit vet bestaat en is in dagen tot weken zelfstandig; de moeder eet in die tijd meestal niet. De snorharen zijn geen bijzaak maar het jachtwerktuig: ze voelen de wervels die een zwemmende vis achterlaat, tot ver nadat die is gepasseerd.
  • Walrussen | Odobenidae1 soortEén soort, en aan alles te herkennen. De hoektanden van de bovenkaak groeien het hele leven door tot slagtanden van een halve meter en langer, bij beide geslachten; ze dienen om zich op het ijs te hijsen, om bij te houden wie de sterkste is, en niet om mee te graven. Dat laatste doet de snuit, met enkele honderden dikke, korte snorharen die over de zeebodem worden getrokken en schelpdieren opsporen; het vlees wordt er met een zuigende beweging uit gezogen en de schelp blijft liggen. Anders dan bij de zeehonden kunnen de achterpoten wél onder het lichaam worden gevouwen, zodat een walrus over het ijs loopt in plaats van schuift. De huid is bij oude stieren enkele centimeters dik en zwaar vereelt in de hals; onder water lijkt het dier bleek doordat het bloed zich terugtrekt, en op het ijs kleurt hij roze zodra het weer terugstroomt.