Alle soorten › Vleermuizen › Bulldogvleermuizen › Europese bulvleermuis
Europese bulvleermuis | Tadarida teniotis
European free-tailed bat | Murciélago Rabudo
De Europese bulvleermuis is de enige vertegenwoordiger van de familie van de bulvleermuizen (Molossidae) in Europa. Zij jaagt snel en hoog in de open lucht, van 10 tot meer dan 100 m boven de grond, en haar echolocatiesignalen liggen rond 12 kHz, binnen het hoorbare bereik van veel mensen. De verblijven liggen in spleten van rotswanden, kliffen, groeven en hoge gebouwen.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Een aanwijzing zonder zichtwaarneming is het geluid: op zomer- en herfstavonden zijn boven steden, kloven en rotswanden de hoge, metaalachtige tikken te horen van jagende dieren die zelf niet te zien zijn. In de verblijven, smalle spleten in rotswanden, kliffen, groeven, bruggen en hoge gebouwen, maken de dieren luide sociale geluiden, waarmee zij in gemeenschappelijke verblijven kleine territoria verdedigen; die zijn overdag of bij het uitvliegen bij de spleet te horen. Onder een spleet in een wand of muur ligt soms mest, relatief groot voor een vleermuis, met resten van nachtvlinders. Groepen tellen meestal enkele tientallen dieren, van solitaire mannetjes tot kraamkolonies van maximaal ongeveer 160 dieren.
Herkenning
Een grote, stevige vleermuis met een spanwijdte van 40 tot 45 cm en lange, smalle vleugels. De staart steekt ver voorbij de achterrand van de staartvlieghuid uit, een kenmerk van de familie. De oren zijn groot, zwartachtig en naar voren gericht; de binnenranden vormen op het voorhoofd een V-vormige inkeping, en naar voren gevouwen reiken de oren voorbij de snuit. De tragus is kort en gaat schuil achter de grote, bijna rechthoekige antitragus. De bovenlip draagt aan elke kant vier diepe plooien. De vacht is fluweelachtig, asgrijs tot bruingrijs of roodbruin op de rug zonder vlekken of berijping, en zeer lichtbruin tot crème op de buik. Vleugels, staartvlieghuid en de onderzijde van onderarm en poten zijn zwartachtig. Kop-romplengte 82 tot 87 mm, staart 37 tot 57 mm, oor 25 tot 33 mm, onderarm 56 tot 64 mm, gewicht 20 tot 40 gram. De echolocatiesignalen zijn smalbandig, lang (rond 15 ms) en laag, met een piekfrequentie rond 11 tot 13 kHz; in Tunesië gemiddeld 12,2 kHz. Veel mensen horen ze met het blote oor als een reeks scherpe, metaalachtige tikken uit de hoogte.
Gelijkende soorten
Door de vrije staart, de grote, naar voren gerichte oren en de geplooide bovenlip is de soort in de hand niet te verwarren met andere Europese vleermuizen. In de vlucht lijken de grote rosse vleermuis (Nyctalus lasiopterus) en de rosse vleermuis (Nyctalus noctula) er het meest op: ook zij jagen hoog en snel met smalle vleugels. Op de batdetector liggen hun signalen hoger, rond 15 tot 25 kHz, en ze zijn voor het blote oor meestal niet hoorbaar; de grote rosse vleermuis kan wel in de buurt komen van het bereik van de bulvleermuis. In het Nijldal en de Levant heeft de kaalbuikgrafvleermuis (Taphozous nudiventris) een vergelijkbare grootte en signalen rond 23 kHz; die heeft een kale onderrug, naar achteren gerichte oren en een staart die op de staartvlieghuid ligt. Snelle gierzwaluwen die in de schemering hoog jagen, worden in silhouet soms voor bulvleermuizen aangezien; gierzwaluwen maken geen tikkende geluiden.
Leefgebied
Van gematigde gebieden tot halfwoestijn, van zeeniveau tot 3100 m hoogte. Bepalend is de aanwezigheid van verticale rotswanden, kliffen of hoge gebouwen met diepe spleten; in Noord-Afrika leeft de soort vooral in rotsachtig terrein. Zij jaagt boven uiteenlopende landschappen, van bergdalen en kustgebied tot bos, landbouwgebied en steden, meestal 5 tot 15 km van het verblijf. De verblijven liggen in rotsspleten, kliffen, groeven, grotten, gebouwen en bruggen, 's zomers en 's winters in hetzelfde gebied.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het Middellandse Zeegebied, van het Iberisch Schiereiland en de eilanden oostwaarts door Zuid-Europa tot de Balkan, de Kaukasus en het Midden-Oosten, en in Noord-Afrika Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Egypte tot in Zuid-Sinaï; ook op de Canarische Eilanden. Verder oostwaarts, met onderbrekingen, Iran, Turkmenistan, Oezbekistan, Zuidoost-Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan en Afghanistan, en geïsoleerde populaties in Oost-Nepal en Noord-Myanmar. De noordgrens in Europa loopt door de zuidelijke Alpen, onder meer in Zwitserland. Oost-Aziatische populaties die vroeger tot deze soort werden gerekend, staan nu als T. insignis te boek. Twee ondersoorten die op kleur waren gebaseerd, worden sinds 2008 niet meer erkend, omdat de kleurvormen overal in het areaal overlappen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief. In Europa begint de activiteit 39 tot 65 minuten na zonsondergang en kan tot tien uur zonder rustpauze duren. De soort jaagt in de open lucht op 10 tot meer dan 100 m hoogte, voornamelijk op nachtvlinders (tot 88 % van het voedsel in Frankrijk, Israël en Kirgizië), aangevuld met kevers, netvleugeligen en wantsen. Veel nachtvlinders kunnen ultrasone signalen horen; de lage frequentie van de bulvleermuis ligt onder hun gevoeligheid. De soort is in Europa en Libanon seizoensgebonden monoëstrisch, met één jong rond juni. Zij is standvast en gebruikt 's zomers en 's winters verblijven in hetzelfde gebied. In de winter houdt zij geen lange, aaneengesloten winterslaap, maar gaat zij in korte perioden van torpor en is zij op zachte nachten actief. Valken en uilen zijn bekende predatoren.
Waar en wanneer kijken
Op een zomeravond bij een kloof, een zeeklif of in de oude binnenstad van een mediterrane stad zijn de tikken van jagende dieren vaak zonder apparatuur te horen, vooral door jongere mensen. Een batdetector op 12 kHz maakt ze voor iedereen hoorbaar. Bij een bekende verblijfplaats zijn de sociale geluiden uit de spleten te horen, en in de schemering is het uitvliegen te zien: de dieren laten zich uit de spleet vallen en winnen dan snel hoogte. Ook in de winter kan de soort op zachte avonden worden gehoord.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016); de trend van de populatie is onbekend. Genoemde bedreigingen zijn verstoring en verlies van verblijven in gebouwen, ontbossing in delen van het areaal, het gebruik van bestrijdingsmiddelen en mogelijke gevolgen van windturbines. De soort staat op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Tadarida teniotis | (Rafinesque, 1814)
Rafinesque beschreef de soort in 1814 als Cephalotes teniotis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Tadarida is door Rafinesque in 1814 bedacht zonder enige toelichting; het woord hoort bij geen bekende taal en blijft onverklaard. teniotis is Grieks voor 'bandoorig', van tainia 'band, lint' en ous, genitief ōtos, 'oor'; Rafinesque licht de naam niet toe, vermoedelijk slaat hij op de brede oren die over het voorhoofd aan elkaar zitten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Sicilië.






