Alle soorten › Vleermuizen › Langvleugelvleermuizen › Langvleugelvleermuis
Langvleugelvleermuis | Miniopterus schreibersii
Schreibers's Long-fingered Bat | Murciélago de cueva
De langvleugelvleermuis is een grotbewonende vleermuis van Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Nabije Oosten en de enige Europese vertegenwoordiger van de familie Miniopteridae. De soort leeft het hele jaar in grotten, mijnen en tunnels, vormt kolonies van duizenden tot tienduizenden dieren en wisselt in de loop van het jaar tussen verblijven die tientallen tot honderden kilometers uit elkaar liggen. Sinds 2023 staat zij als kwetsbaar op de mondiale Rode Lijst.
Sporen
De sporen liggen vrijwel alleen in grotten, mijngangen en tunnels. Onder de hangplaatsen van een kolonie ligt mest in hopen of lagen op de bodem; de keuteltjes zijn klein, zwart en brokkelen tot insectengruis met resten van motten. Op het plafond boven een langjarig gebruikte hangplek tekent zich vaak een donkere verkleuring af. De dieren hangen in dichte trossen tegen het plafond, lijf tegen lijf, en niet verspreid in spleten; een tros van enkele duizenden dieren is vanaf de grotbodem te zien als een aaneengesloten donkere vlek. Bij het uitvliegen, vanaf ongeveer twintig minuten tot een uur na zonsondergang, verlaten de dieren de ingang in een aanhoudende stroom. Prooiresten zijn er nauwelijks, omdat de prooi in de vlucht wordt gegeten. Op de batdetector klinkt de soort als een reeks droge tikken bij ongeveer 50 tot 55 kHz. In het voorjaar en najaar veranderen de aantallen in een grot van week tot week, doordat dieren tussen winter-, overgangs- en kraamverblijven verhuizen.
Herkenning
Een middelgrote vleermuis met een korte, hoog gewelfde schedel, een korte snuit en kleine, driehoekige oren die ver uit elkaar staan en nauwelijks boven de kruin uitkomen; de tragus is slank, 5,5 tot 7 mm lang en iets naar voren gebogen. De vacht is kort, dicht en zijdeachtig, egaal grijs tot askleurig op de rug en iets lichter op de buik; de haren zijn aan de basis donkerder. Vleugels en staartvlieghuid zijn donker. Het kenmerk van de familie zit in de vleugel: het tweede lid van de derde vinger is ongeveer drie keer zo lang als het eerste en wordt in rust teruggevouwen, zodat de vleugel lang en smal is. Spanwijdte ongeveer 30 tot 35 cm, onderarm 43 tot 47 mm, gewicht 10 tot 14 gram. De vlucht is snel en recht, in open ruimte, boven boomkruinen, langs bosranden en boven rivieren. De echolocatie bestaat uit dalende frequentiegemoduleerde signalen met een piek tussen ongeveer 49 en 62 kHz en een eindfrequentie rond 46 tot 56 kHz; de signalen duren 2 tot 14 ms.
Gelijkende soorten
Binnen het gidsgebied komen drie Miniopterus-soorten voor. M. maghrebensis in Marokko en Tunesië en M. pallidus in Anatolië en de Levant zijn uitwendig niet van de langvleugelvleermuis te onderscheiden; de scheiding berust op DNA en op schedelmaten. Waar de areaalgrenzen liggen is voor beide gebieden nog niet volledig bekend, en in Anatolië is beperkte hybridisatie met M. pallidus vastgesteld. Buiten die randgebieden is de soort aan de gewelfde kop, de korte oren en de lange, smalle vleugel met het teruggevouwen vingerlid te herkennen. In grotten hangt zij vaak samen met de vale en kleine vale vleermuis (Myotis myotis, M. blythii), Capaccini's vleermuis (Myotis capaccinii) en hoefijzerneuzen; de Myotis-soorten hebben langere oren met een rechte, puntige tragus en een langere snuit, en hoefijzerneuzen hebben een neusblad en hangen gehuld in de vleugels. Op de batdetector overlapt de piekfrequentie met die van de kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) rond 55 kHz; de signalen van de langvleugelvleermuis zijn vaak langer en onregelmatiger van ritme, maar een opname geeft niet altijd uitsluitsel.
Leefgebied
De soort gebruikt een breed spectrum aan landschappen: halfwoestijnsteppe, mediterraan struweel en bos en, in het noorden van het areaal, vochtig loofbos. Kraamkolonies liggen meestal onder 1000 m, soms tot 1200 m; niet-voortplantende en overwinterende kolonies komen tot ongeveer 1400 m voor. De verblijven zijn grotten en grotachtige holten zoals mijnen en tunnels; losse dieren of kleine groepen zitten ook in rotsspleten of gebouwen. De jachtgebieden liggen boven rivieren en water, langs bosranden, in open plekken, boomgaarden en parken, en in Frankrijk ook bij verlichte straten in bebouwing. Dicht dennenbos en gesloten bos worden gemeden; rivierbegeleidend bos en bosranden dienen als vliegroute.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zuid-Europa van het Iberisch Schiereiland oostwaarts tot Anatolië en het westen van Georgië, noordwaarts tot Midden-Frankrijk, Slowakije en Roemenië, en in het zuiden de Maghreb, Libië, Syrië, Libanon en Israël, met de meeste eilanden in de Middellandse Zee. Oude waarnemingen zijn er uit Duitsland, Zwitserland en Tsjechië; in 2020 werd een eerste vondst uit Polen gepubliceerd. In de Maghreb komt de soort samen met M. maghrebensis voor, in de Levant met M. pallidus, en oudere Noord-Afrikaanse gegevens onder de naam M. schreibersii kunnen op beide soorten betrekking hebben. Tot 2014 werden deze vormen en een reeks Afrikaanse en Aziatische populaties onder M. schreibersii gerekend; genetisch onderzoek beperkte de soort sindsdien tot Europa, Noord-Afrika en het Nabije Oosten. Grote kolonies zijn bekend uit Bulgarije (tot 65 000 dieren in één grot), Kroatië, Portugal en Spanje.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De soort jaagt in snelle vlucht in de open lucht op vliegende insecten. Nachtvlinders maken meer dan 70 % van het voedsel uit, in de zomer tot boven 90 %, vooral uilen en spanners; netvleugeligen, tweevleugeligen, schietmotten en kevers vullen dat aan. Zogende vrouwtjes jagen tot bijna 30 km van het verblijf. De paring valt in september en begin oktober; de bevruchting volgt direct, maar de kiem nestelt zich pas na de winterslaap in maart of april (vertraagde innesteling). Het enige jong wordt eind juni of begin juli geboren, in Portugal begin juni, vliegt na ongeveer 40 dagen en is na twee maanden volgroeid; vrouwtjes planten zich meestal vanaf hun tweede jaar voort. De winterslaap duurt 2 tot 5 maanden, korter in het zuiden, en wordt onderbroken door actieve perioden en verhuizingen; winterverblijven hebben een temperatuur van ongeveer 4 tot 10 °C. De populaties vormen netwerken van verblijven over duizenden vierkante kilometers, met aparte winter-, overgangs-, kraam- en paarverblijven. Gewone verplaatsingen bedragen rond 100 km, de langste bekende meer dan 800 km. De hoogste bekende leeftijd is 16 jaar.
Waar en wanneer kijken
De soort is het best waar te nemen bij het uitvliegen bij een bekende kolonie-ingang op een zomeravond: van buiten de grot, zonder in te gaan en zonder de dieren met licht in het gezicht te schijnen. Op een batdetector afgestemd op ongeveer 52 kHz is het uitvliegen als een aaneengesloten reeks tikken te volgen. Een grot met een kolonie wordt niet betreden in de kraamtijd (mei tot augustus) en niet in de winter, omdat verstoring op die momenten sterfte van jongen of uitputting van vetreserves veroorzaakt; in veel landen is de toegang tot zulke grotten wettelijk geregeld of afgesloten. In het veld is de soort binnen het areaal van M. maghrebensis en M. pallidus alleen als Miniopterus spec. te noteren, tenzij er genetisch materiaal is onderzocht.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2023). Omdat de dieren in weinig grote verblijven samenkomen, kan het verlies of de verstoring van één grot een groot deel van een regionale populatie treffen. De soort is verdwenen uit Duitsland en Oekraïne en in Zwitserland sinds de jaren zestig bijna verdwenen; in Oostenrijk liep het aantal overwinterende dieren terug van ongeveer 2500 tot een of twee, en alle kraamkolonies zijn daar verdwenen. De genoemde oorzaken zijn grottoerisme en verstoring, het afsluiten of ombouwen van mijnen en tunnels, en veranderingen in het jachtgebied. In 2002 stierven in Frankrijk, Spanje en Portugal grote aantallen dieren in korte tijd; in dode dieren uit Spanje werd later het Lloviu-virus aangetoond, een filovirus. De soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn, zodat voor haar speciale beschermingszones moeten worden aangewezen, en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Miniopterus schreibersii | (Kuhl, 1817)
Kuhl beschreef de soort in 1817 als Vespertilio Schreibersii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Miniopterus is Grieks, van minyos 'klein' (bij minythein 'verminderen') en pteron 'vleugel'; Bonaparte licht de naam niet toe, maar vermoedelijk doelt hij op het sterk verkorte eerste kootje van de derde vinger, waardoor de lange vleugelpunt terugvouwt. schreibersii eert Carl Franz Anton von Schreibers (1775–1852), de directeur van het keizerlijke natuurhistorische kabinet in Wenen, die Kuhl het dier uit Banaat toezond. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Roemenië, Coronini.






