Alle soorten › Vleermuizen › Langvleugelvleermuizen › Miniopterus pallidus
Miniopterus pallidus | Miniopterus pallidus
Pallid Long-fingered Bat | Miniopterus pallidus
Miniopterus pallidus is in 1907 door Oldfield Thomas beschreven als ondersoort van de langvleugelvleermuis, met als typelocatie de zuidkust van de Kaspische Zee in Iran. Mitochondriaal en nucleair DNA-onderzoek leidde tot erkenning als afzonderlijke soort. Het areaal loopt van Anatolië en de Levant tot Afghanistan; in het gidsgebied valt alleen de westrand ervan, in Anatolië en de Levant.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De sporen liggen in grotten, verlaten mijnen en tunnels: mest onder de hangplaatsen, bestaande uit fijngekauwde resten van nachtvlinders, en een donkere verkleuring van het plafond boven langjarig gebruikte hangplekken. De dieren hangen in dichte trossen tegen het plafond, in kolonies van meestal enkele honderden, soms 1000 tot 1500 dieren, vaak in dezelfde grot als hoefijzerneuzen en Myotis-soorten. Bij het uitvliegen verlaten de dieren de ingang in een aanhoudende stroom. Mest en hangplaatsen zijn niet van die van de langvleugelvleermuis te onderscheiden.
Herkenning
In bouw gelijk aan de langvleugelvleermuis: korte, gewelfde kop, korte snuit, kleine, driehoekige oren met een slanke, iets naar voren gebogen tragus van 4,9 tot 6,3 mm, en een lange, smalle vleugel waarvan het tweede lid van de derde vinger in rust wordt teruggevouwen. De vacht is kort en zijdeachtig, egaal grijsbruin op de rug en lichter op de buik; de haren zijn tweekleurig. Staart en vlieghuiden zijn relatief lang en donker. Kop-romplengte 56 tot 65 mm, staart 58 tot 66 mm, onderarm 43 tot 44,8 mm, gewicht 14,7 tot 15,2 gram. Het chromosoomgetal is 2n = 46. De echolocatie bestaat uit dalende frequentiegemoduleerde signalen met een piekfrequentie rond 55,5 tot 57,9 kHz.
Gelijkende soorten
De langvleugelvleermuis (M. schreibersii) is uitwendig niet van M. pallidus te onderscheiden; de maten overlappen en de vachtkleur varieert bij beide. In Anatolië komen beide soorten voor en is beperkte hybridisatie vastgesteld; waar de grens tussen beide in Anatolië, de Levant en Irak ligt, is zonder genetisch onderzoek niet vast te stellen. Waar beide samen voorkomen, gebruikt M. pallidus vooral landinwaartse, continentale gebieden en M. schreibersii vochtiger kustgebieden, maar dat is een tendens en geen determinatiekenmerk. De piekfrequentie van de echolocatie ligt in hetzelfde bereik als die van de langvleugelvleermuis en van de kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus). In gedeelde grotten zijn Myotis-soorten aan hun langere oren met rechte tragus en hoefijzerneuzen aan hun neusblad te herkennen.
Leefgebied
De soort gebruikt uiteenlopende droge en halfdroge landschappen: mediterraan struweel op zeeniveau in het westen van het areaal, halfdroge steppe boven 1100 m op het Centraal-Anatolische Plateau en halfdroog gebergte boven 1400 m in Iran. Waar zij samen met de langvleugelvleermuis voorkomt, gebruikt zij de continentale gebieden en mijdt zij de vochtige Hyrcanische bossen langs de Kaspische Zee. Er wordt gejaagd in dalbodems en langs oevervegetatie bij water. De dagverblijven zijn grotten, verlaten mijnen en tunnels.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Oost- en Centraal-Anatolië, het zuiden van Armenië, Azerbeidzjan, Syrië, Libanon, het noordwesten van Jordanië, Iran, het zuiden van Turkmenistan en het zuiden van Afghanistan. De grenzen van het areaal in de Levant en Irak zijn onduidelijk, omdat gegevens van vóór de afsplitsing onder M. schreibersii staan en genetisch moeten worden getoetst. Binnen het gidsgebied, dat oostwaarts tot 37° O reikt, gaat het om Centraal-Anatolië en de Levant.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief. De soort jaagt in de open lucht en, dankzij een wendbare vlucht, ook in half afgesloten ruimte op vliegende insecten; in monsters uit Iran, Syrië en Jordanië bestond het voedsel voor meer dan 95 % uit nachtvlinders, aangevuld met kevers, vliegen en andere insecten. In West-Iran vindt de paring eind oktober plaats; na de winterslaap nestelt de kiem zich begin maart in (vertraagde innesteling) en worden de jongen begin juni geboren, zodat de periode van paring tot geboorte 7,5 tot 8 maanden bedraagt. Een pasgeboren jong weegt ongeveer 3,7 gram en na twee maanden, wanneer het zelfstandig vliegt, 11,3 gram, ruim 90 % van het volwassen gewicht. De winterslaap wordt in grotten doorgebracht. Kolonies tellen enkele honderden tot 1500 dieren.
Waar en wanneer kijken
Binnen het gidsgebied is een Miniopterus in Centraal-Anatolië of de Levant in het veld niet op soort te brengen en wordt als Miniopterus spec. genoteerd, tenzij er DNA is onderzocht. Het uitvliegen bij een grotingang op een zomeravond, van buiten de grot, is de manier om de dieren te zien; een batdetector op ongeveer 56 kHz registreert de signalen. Grotten met kolonies worden in de kraamtijd en in de winter niet betreden. Een onderzoeker met vergunning kan een huidbiopt voor DNA-onderzoek nemen zonder het dier te doden.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT, 2021). Omdat de dieren in een beperkt aantal grotten samenkomen, treft verstoring of verlies van één verblijf een groot deel van een lokale populatie. Het areaal ligt vrijwel geheel buiten de Europese Unie, zodat de Habitatrichtlijn er niet geldt. Voor een groot deel van het areaal is niet bekend welke kolonies tot deze soort en welke tot de langvleugelvleermuis behoren, en daarmee ook niet hoe groot de populatie is.
Wetenschappelijke naam
Miniopterus pallidus | O. Thomas, 1907
O. Thomas beschreef de soort in 1907 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Miniopterus is Grieks, van minyos 'klein' (bij minythein 'verminderen') en pteron 'vleugel'; Bonaparte licht de naam niet toe, maar vermoedelijk doelt hij op het sterk verkorte eerste kootje van de derde vinger, waardoor de lange vleugelpunt terugvouwt. pallidus is Latijn voor 'bleek', bij pallere 'bleek zijn': Thomas beschreef het dier als de lichte vorm naast schreibersii. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Iran, Golestan.





