Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Europese hamster

Europese hamster | Cricetus cricetus

Black-bellied Hamster | Hámster Común

De Europese hamster (Cricetus cricetus) is een fors, solitair knaagdier van akkerland op löss en leem, en het enige knaagdier van Europa met een zwarte buik. Rond 1950 gold hij als landbouwplaag waarop premies stonden, en werden de vellen bij honderdduizenden verhandeld; in 2020 is hij op de Rode Lijst als ernstig bedreigd aangemerkt, met een berekende kans dat hij binnen deze eeuw uit Europa verdwijnt. In Nederland was de wilde populatie in 2002 verdwenen; de huidige dieren daar zijn afkomstig uit fokprogramma's.

Europese hamster (Cricetus cricetus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De burcht is het belangrijkste spoor. Een bewoonde burcht heeft twee soorten pijpen. De looppijp loopt schuin, onder een hoek van 30 tot 45 graden, de grond in en is de ingang waardoor het dier naar buiten komt en voedsel naar binnen brengt; ervoor ligt een waaier van uitgegraven grond. De valpijp loopt loodrecht omlaag, vaak tot een meter diep zichtbaar, en heeft geen grond ervoor, omdat de hamster hem van onderaf uitgraaft; hij dient als vluchtweg. Beide pijpen zijn 5 tot 7 cm in doorsnede, met een gladde, ronde rand. Een burcht heeft twee tot tien ingangen en gaat 1 tot 2 m diep, met een nestkamer met fijn geplozen gras, een of meer voorraadkamers en een aparte latrine; het nest zelf wordt niet bevuild. In graanstoppel na de oogst zijn de pijpen het gemakkelijkst te vinden; op vochtige leem is de rand scherp zichtbaar. Andere sporen: afgesneden halmen, vlak boven de grond schuin afgeknipt en zonder aar, in bundeltjes bij de pijp; vraatplekken in luzerne en klaver rond een ingang; en keutels, donker, cilindrisch, 8 tot 12 mm lang, meestal in de latrine en zelden in het open veld. De voorraadkamer bevat gemiddeld 2 tot 3 kg graan en zaad; er zijn kamers gevonden met 15 kg en bij uitzondering 65 kg, gesorteerd per soort. In de winter wijst een van binnenuit met aarde dichtgestopte pijp op een dier in winterslaap. Prooiresten van torenvalk of buizerd met roodbruine rugvacht en zwarte buikvacht zijn in Midden-Europa vaak het eerste bewijs van hamsters in een perceel.

In zijn leefgebied

Europese hamster, in het kort gehouden, bloemrijke gras van de begraafplaats van meidling — het stedelijke leefgebied van de weense hamsters
In het kort gehouden, bloemrijke gras van de begraafplaats van Meidling — het stedelijke leefgebied van de Weense hamsters · Foto: Bouke ten Cate — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Europese hamster, kop van voren, oostenrijk: witte wangvlekken, korte ronde oren en de wangzakken langs de kaak
Kop van voren, Oostenrijk: witte wangvlekken, korte ronde oren en de wangzakken langs de kaak · Foto: Barry Stewart — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Het jong

Europese hamster, jong dier in de opening van de burcht, wenen, half mei — de jongen komen na ongeveer drie weken boven de grond
Jong dier in de opening van de burcht, Wenen, half mei — de jongen komen na ongeveer drie weken boven de grond · Foto: SgH Vienna — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Groot voor een knaagdier: kop-romp 20 tot 27 cm, staart 4 tot 7 cm, gewicht 220 tot 460 gram, ongeveer zo groot als een cavia, met een gedrongen, zware bouw. De tekening: roodbruine tot goudbruine rug, roodgele flanken met drie witte vlekken, en een zwarte buik en borst. Een donkere onderzijde en lichtere bovenzijde is bij zoogdieren zeldzaam en is het beste kenmerk. Op de wangen en achter de oren staan grote roomwitte vlekken; poten en snuit zijn wit. De oren zijn kort, rond en behaard, de ogen groot en zwart, de staart is kort en spaarzaam behaard. Aan weerszijden van de bek zitten grote wangzakken die tot achter de schouders reiken en die, gevuld, de kop bijna driehoekig maken. Zwarte (melanistische) dieren komen in Oost-Europa geregeld voor en zijn geheel donker op de witte snuit na. Rechtopzittend is de zwarte borst van ver zichtbaar; lopend is het dier laag en breed, met een waggelende gang.

Gelijkende soorten

Goed gezien is de soort in Europa met geen ander dier te verwarren. Op afstand en van achteren kan een bruine rat op een hamster lijken, maar die heeft een lange, kale geschubde staart, een spitse snuit en geen wangzakken. Een soeslik is slanker, zandkleurig, zit langgerekt rechtop en heeft geen zwarte buik. Een jonge marmot is veel groter en egaal gekleurd. Een ontsnapte goudhamster is half zo groot, zandkleurig en heeft een lichte onderzijde. De Roemeense hamster in de Dobroedzja is duidelijk kleiner en heeft een zwarte band over de borst in plaats van een zwarte buik, en de trekhamster in Zuidoost-Europa is een grijs knaagdier van minder dan 60 gram. Een fors, log knaagdier met een zwarte onderzijde in een akker of berm is een Europese hamster.

Leefgebied

Open akkerland op löss, leem of zware klei, met een lage grondwaterstand en een bodem die diep en stevig genoeg is voor een burcht van twee meter; op zand en natte grond ontbreekt de soort. Voorkeur voor granen en luzerne en voor percelen waar in de zomer dekking blijft staan. Daarnaast droge, kruidenrijke graslanden, dijken, akkerranden en braakland. In Midden-Europa leeft hij ook op begraafplaatsen, in parken en groene bermen in steden, waar niet geploegd wordt, het gras kort blijft en roofdieren ontbreken; Wenen heeft daardoor een van de best waarneembare hamsterpopulaties van Europa. Van het laagland tot ongeveer 600 m hoogte.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Noordoost-Frankrijk en de Lage Landen oostwaarts door Midden- en Oost-Europa tot Rusland, Noord-Kazachstan en Zuidwest-Siberië. De westgrens ligt bij de Rijnvlakte, Oost-Frankrijk en Zuid-Limburg; op de Britse Eilanden en het Iberisch Schiereiland heeft de soort nooit voorgekomen. In het westen is het areaal in de laatste vijftig jaar in kleine fragmenten uiteengevallen. In Frankrijk komt hij nog voor in de Elzas, dankzij een groot herstelprogramma. In België resteren in Vlaams-Brabant, Haspengouw en Voeren enkele tientallen burchten. In Nederland was de hamster vroeger algemeen in Zuid-Limburg en kwam hij voor in delen van de Achterhoek; na 1980 nam hij snel af, en in 2002 werd bij Maastricht de laatste burcht van een wild dier gevonden. In datzelfde jaar begonnen uitzettingen met dieren uit een fokprogramma met GaiaZOO in Kerkrade als kern, in het akkerreservaat Sibbe en daarna op meer plaatsen in het Limburgse lössgebied (Amby, Heer, Puth-Schinnen). De populatie groeide eerst snel, schommelde vanaf 2008 sterk en nam tussen 2016 en 2020 weer af; sindsdien worden jaarlijks dieren bijgeplaatst, en zonder die bijplaatsingen en zonder hamstervriendelijk akkerbeheer (stroken graan die laat of niet worden geoogst, luzerne in de vruchtwisseling) kan de soort zich daar niet handhaven. In Duitsland, Polen, Tsjechië, Oostenrijk en Hongarije is hij plaatselijk nog talrijk, in Oostenrijk vooral in steden. Verder oostwaarts, in Oekraïne en Rusland, is hij nog wijdverspreid, maar ook daar gaat hij achteruit.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Overwegend schemer- en nachtactief; in rustige gebieden en in stedelijke populaties ook overdag. De soort leeft strikt solitair: elk volwassen dier heeft een eigen burcht, en ontmoetingen buiten de paartijd leiden tot gevechten. Het voedsel is gemengd: granen, zaden, wortels, knollen, groene plantendelen, klaver en luzerne, aangevuld met insecten, wormen, slakken en soms een muizennest. Wat niet direct wordt gegeten, gaat in de wangzakken naar de voorraadkamer; een volwassen dier vervoert tot 100 gram per keer en kan in één nacht enkele kilo's binnenbrengen. Van oktober tot begin april houdt hij winterslaap, waarbij de lichaamstemperatuur tot vlak boven die van de burcht daalt; om de vijf tot zeven dagen ontwaakt het dier om uit de voorraad te eten, wat de omvang van de voorraad verklaart. De paartijd loopt van april tot augustus: twee tot drie worpen per jaar, na een draagtijd van slechts 17 tot 19 dagen, met gemiddeld zeven of acht jongen. De jongen zijn na drie weken zelfstandig en kunnen in hun eerste zomer al zelf jongen krijgen. Met deze voortplantingssnelheid compenseerde de soort vroeger verliezen; dat de populaties desondanks afnemen, wijst op de omvang van de achteruitgang van de akkers als leefgebied. In het wild wordt een hamster zelden ouder dan twee jaar.

Waar en wanneer kijken

De beste plaats om de soort te zien is Wenen: op de begraafplaatsen van Meidling, Simmering en Hietzing leven hamsters in het gras tussen de graven; ze zijn overdag actief en laten mensen tot op enkele meters naderen. De beste periode is mei tot augustus, in de vroege ochtend of het laatste uur voor zonsondergang. Elders in Midden-Europa: rijd na de graanoogst langs lössakkers en zoek de pijpen in de stoppel; ga bij een verse valpijp met een gladde rand op honderd meter afstand zitten en wacht tot de schemering. In Nederland en Vlaanderen is de kans op een eigen waarneming klein en is verstoring een reëel risico; ga daar mee met een excursie van een terreinbeherende organisatie of de Zoogdiervereniging in plaats van zelf de akkerreservaten in te lopen. Bij een burcht: nooit graven, de pijp niet met een stok onderzoeken en het perceel niet betreden; een verstoorde hamster verlaat zijn burcht en verliest zijn voorraad.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd (CR, 2020); deze beoordeling geldt voor de hele wereldpopulatie. De IUCN-beoordeling van 2020 noemde voor het eerst een oorzaak naast het verlies van leefgebied: de voortplanting is sterk afgenomen. Waar een vrouwtje in de jaren zestig jaarlijks meer dan twintig jongen grootbracht, zijn dat er nu vaak vijf of zes, en de dieren gaan later in en eerder uit de winterslaap. De genoemde oorzaken zijn eenzijdige akkerbouw (maïs- en graanmonoculturen zonder de kruiden en insecten die een hamster nodig heeft; een dieet van maïs leidt tot vitamine-B3-gebrek en het opeten van de eigen jongen), versnippering door wegen en verstedelijking, lichtvervuiling, die het dag- en winterslaapritme verstoort, en klimaatopwarming, die het najaar verlengt en de winterslaap verkort. Daarnaast werkt de vroegere bestrijding na: tot in de jaren tachtig werd de hamster in Oost-Europa vergiftigd en werden de vellen verhandeld, in de Sovjet-Unie miljoenen per jaar. Modellen op basis van deze gegevens voorspellen uitsterven in Europa rond het midden van deze eeuw als de omstandigheden niet veranderen. Beschermingsmaatregelen worden op tientallen plaatsen toegepast: fokprogramma's en uitzettingen, zoals in Limburg, de Elzas en Noordrijn-Westfalen; hamstervriendelijk akkerbeheer met luzerne, wintergraan, late oogst en stroken die blijven staan; en verbindingen tussen de resterende percelen. Deze maatregelen zijn arbeidsintensief en kostbaar en moeten jaarlijks worden herhaald.

Wetenschappelijke naam

Cricetus cricetus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mus Cricetus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Cricetus is de middeleeuws-Latijnse naam voor de hamster, al bij Albertus Magnus; hij gaat terug op een Slavisch woord (Tsjechisch křeček, Pools skrzeczek) dat het knarsende geluid van het dier nabootst. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.