Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Feltens woelmuis

Feltens woelmuis | Microtus felteni

Balkan Pine Vole | Topillo de Felten

Feltens woelmuis (Microtus felteni) is een van de minst bekende zoogdieren van Europa. Malec en Storch beschreven de soort in 1963 van de berg Babuna in Noord-Macedonië. Hij leeft in een versnipperd gebied van naar schatting 40.000 km² op de zuidelijke Balkan, is overal zeldzaam, en over de levenswijze is zeer weinig gepubliceerd.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De soort is semifossoriaal: hij graaft, maar leeft niet zo volledig ondergronds als de Provençaalse woelmuis. Sporen van deze soort zijn nauwelijks beschreven. Te verwachten is het patroon van de kleine graafwoelmuizen: ondiepe gangen onder de zode, kleine aardhoopjes met de opening opzij en een gelijkmatige, steenvrije korrel, omdat het dier met de tanden graaft, vrijgemaakte paadjes door de vegetatie, en keutels van 4 tot 7 mm. In dit gebied maakt Thomas' woelmuis echter vergelijkbare hoopjes en is die ongeveer dertig keer zo algemeen; een aardhoopje in Albanië zegt daardoor niets over de soort. Om vast te stellen welke graafwoelmuizen in een streek voorkomen, zijn braakballen van de kerkuil de aangewezen bron, met het gebit als determinatiekenmerk en voor volledige zekerheid laboratoriumonderzoek.

Herkenning

Klein: kop-romp 8,3 tot 10,5 cm, staart 2,3 tot 3,9 cm (25 tot 33 procent van de kop-romplengte) en 16 tot 28 gram. De bouw is die van een graafwoelmuis: korte oren en zeer kleine ogen, een stompe kop en een gedrongen lichaam. De vacht is lang en zacht, donkerbruin op de rug en grijs tot zilverachtig op de buik. De schedel is fijn gebouwd, plat en laag, met uitstaande jukbogen en een brede interorbitale regio; de bovensnijtanden staan slechts licht naar voren. De tweede bovenkies is eenvoudig gebouwd, met slechts drie hoeken aan de binnenzijde. Vrouwtjes hebben vier tepels, alle in de liesstreek.

Gelijkende soorten

De soort is in het veld niet te determineren, en in de hand ook niet zonder de schedel. De belangrijkste verwarringsmogelijkheid is Thomas' woelmuis (Microtus thomasi), die in Albanië en Noordwest-Griekenland naast deze soort voorkomt en daar ongeveer dertig keer zo talrijk is; een kleine graafwoelmuis uit dat gebied is daardoor met grote waarschijnlijkheid een Thomas' woelmuis. Ook de ondergrondse woelmuis (M. subterraneus) deelt het gebied en het formaat. Alle drie zijn kleine, donkerbruine woelmuizen met korte oren en zeer kleine ogen; het onderscheid berust op kiesbouw, schedelmaten en chromosomen. Van grotere soorten in het gebied is Feltens woelmuis wel te onderscheiden: Microtus hartingi is aanzienlijk groter en zwaarder, met duidelijk uitstekende oren en grote ogen; de veldmuis en Microtus mystacinus zijn geler en gladder van vacht en hebben duidelijk zichtbare, van binnen kale oren en grotere ogen; de rosse woelmuis is roodbruin, met grote ogen, vrijstaande oren en een twee keer zo lange staart. Een kleine, donkerbruine woelmuis met zeer kleine ogen in Noord-Griekenland, Albanië, Kosovo of West-Noord-Macedonië is een van de drie graafwoelmuizen; welke van de drie is met veldkenmerken niet vast te stellen.

Leefgebied

Open terrein in bergachtig landschap: hooiland en weiden, bosranden en open plekken in bos, struweel, oevers van beken en soms bouwland. De soort komt voor van 40 tot 2050 m hoogte, een groot bereik voor een kleine soort; het zwaartepunt ligt in het middengebergte van de zuidelijke Balkan. De dichtheden zijn er laag; dit is vastgesteld en niet het gevolg van weinig waarnemingen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Zuid-Servië, Kosovo, West-Noord-Macedonië, Albanië en Noordwest-Griekenland; daarbuiten komt de soort niet voor. Het totale verspreidingsgebied wordt op ongeveer 40.000 km² geschat en is versnipperd; binnen de verwante groep Europese woelmuizen heeft alleen de Cabrerawoelmuis een kleiner areaal. De typelocatie ligt bij Trnovo-Magarevo op de Babuna in het Pelistergebergte. In dit deel van Europa is weinig zoogdieronderzoek gedaan, en de begrenzing van het areaal berust op een betrekkelijk klein aantal vindplaatsen.

Levenswijze

Overwegend nachtactief en het hele jaar actief, zonder winterrust. Het voedsel is niet onderzocht; het Handbook of the Mammals of the World vermeldt 'geen gegevens'. Waarschijnlijk eet de soort, net als verwante soorten, groene plantendelen en ondergrondse wortels, knollen en bollen. Over de voortplanting is vastgelegd dat vrouwtjes in voortplantingsconditie van juni tot en met oktober zijn verzameld, en dat drie drachtige vrouwtjes elk twee embryo's droegen. Dat is een kleine worp voor een woelmuis, wat past bij de lage dichtheden. Over de grootte van het leefgebied, de sociale organisatie en verplaatsingen is niets bekend.

Waar en wanneer kijken

De kans om deze soort in het veld te zien en te herkennen is zeer klein. Zoek in het middengebergte van West-Noord-Macedonië, het Pelistermassief, de Albanese bergen of de Pindos naar hooilanden en bosranden met een dichte kruidlaag, en let op kleine aardhoopjes en paadjes, met de kanttekening dat die even goed van Thomas' woelmuis kunnen zijn. Verzamel braakballen onder een roestplaats van kerkuil of oehoe; die zijn in de zuidelijke Balkan gemakkelijker te vinden dan de muis zelf, en het uitpluizen ervan is voor deze soort de enige praktische inventarisatiemethode.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024). Deze beoordeling is recent; daarvoor stond de soort als onvoldoende gegevens (DD) op de Rode Lijst. Het areaal is klein en versnipperd, de soort leeft overal in lage dichtheden en is in Albanië ongeveer dertig keer zo schaars als Thomas' woelmuis. Specifieke bedreigingen zijn niet vastgesteld, omdat ze niet zijn onderzocht. Wel veranderen de bergweiden en hooilanden van de zuidelijke Balkan snel: de extensieve begrazing verdwijnt, hooiland verstruweelt of wordt omgezet, en het middengebergte raakt ontvolkt. De grootste lacune is kennis; die moet komen uit gericht veldwerk in Albanië, Noord-Macedonië en Noordwest-Griekenland.

Wetenschappelijke naam

Microtus felteni | (Malec & Storch, 1963)

Malec & Storch beschreef de soort in 1963 als Pitymys savii felteni; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. felteni eert de Duitse zoöloog Heinz Felten, conservator van de zoogdieren aan het Senckenberg-museum in Frankfurt, waar Storch werkte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Macedonië.