Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Gewone dwergvleermuis

Gewone dwergvleermuis | Pipistrellus pipistrellus

Common Pipistrelle | Murciélago Enano

De gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) is de talrijkste vleermuis van Europa en de soort die op zomeravonden rond lantaarns en tussen de daken jaagt: klein, met een snelle, onregelmatige vlucht. De verblijfplaatsen liggen vrijwel altijd in gebouwen, in spleten in muren en achter gevelbetimmering. Het dier weegt 3,5 tot 8 gram.

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Foto: Mikes Makro — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De soort leeft in gebouwen, en daar zijn de sporen te vinden. Onder een spleet in de gevel, onder de daklijst, achter gevelbetimmering of bij de aansluiting van dakpan en muur ligt de mest: keutels van 5 tot 8 mm lang en nauwelijks 2 mm dik, zwart, droog en licht gekromd, in een strook of hoopje op de vensterbank, de stoep of de zoldervloer. Het beslissende verschil met een muizenkeutel is de structuur: vleermuismest is broos en verkruimelt tot glinsterende insectenresten waarin met een loep vleugeltjes en pootjes te zien zijn, terwijl een muizenkeutel hard blijft, smeert en naar urine ruikt. Rond de invliegopening zitten vaak donkere vet- en urinevlekken op het pleisterwerk, en op een zolder ligt onder de kolonie een strook mest. Prooiresten ontbreken: een dwergvleermuis eet kleine prooien in de vlucht op, zodat er, anders dan bij grootoorvleermuis of hoefijzerneus, geen vlindervleugels onder een eetplaats liggen. Het bruikbaarste spoor is telbaar gedrag: 15 tot 30 minuten na zonsondergang, met de rug naar het huis, zijn de dieren te tellen die één voor één uit dezelfde spleet vliegen; zo wordt een kraamkolonie geteld. In augustus en september is de baltsroep van de mannetjes te horen, een reeks droge klikjes met een gorgelend slot, geuit in een vaste ronde langs de gevels; op de detector is dat geluid in de nazomer van ver te horen.

Gewone dwergvleermuis, vleermuizenmest opgehoopt op een vensterbank onder een verblijfplaats in een verlaten molen
Vleermuizenmest opgehoopt op een vensterbank onder een verblijfplaats in een verlaten molen · Foto: MICHAEL ZAWADZKI — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Gewone dwergvleermuis, kraamkolonie in een spleet van twee tot drie centimeter onder een daklijst, wörgl, tirol
Kraamkolonie in een spleet van twee tot drie centimeter onder een daklijst, Wörgl, Tirol · Foto: Mnolf — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Gewone dwergvleermuis, in de hand, vangonderzoek: kort afgerond oor met stompe tragus en het donkere naakte gezicht
In de hand, vangonderzoek: kort afgerond oor met stompe tragus en het donkere naakte gezicht · Foto: Klaus Krahn — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een van de kleinste vleermuizen van Europa: kop-romp 3,6 tot 5,1 cm, onderarm 28 tot 34,5 mm, gewicht 3,5 tot 8 gram. De vacht is donker roodbruin tot kastanjebruin op de rug en nauwelijks lichter op de buik; gezicht, oren en vleugels zijn zwartbruin en vrijwel kaal. Het oor is kort en driehoekig met een afgeronde punt en heeft een korte, gebogen, aan het eind afgeronde tragus; dat is geen doorslaggevend kenmerk, maar onderscheidt de soort van de grootoorvleermuizen, waarvan de oren bijna zo lang zijn als het lichaam. De vleugels zijn smal en spits; de vlucht is snel, wendbaar en onregelmatig, met korte bochten en plotselinge duikvluchten op 2 tot 5 m hoogte, meestal in vaste rondes langs een huizenrij, een lantaarn, een heg of een vijverrand. In een verblijfplaats kruipt het dier plat in een spleet in plaats van vrij te hangen; bij een vondst achter gevelbetimmering is dat een aanwijzing.

Gelijkende soorten

Betrouwbare determinatie gebeurt met een batdetector. De ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) is iets groter en langharig, met een lichtere buik, en trekt in het najaar over lange afstanden. De kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus), in 1999 als aparte soort erkend, is op uiterlijk nauwelijks te onderscheiden: het verschil zit in de roep, met een piekfrequentie rond 55 kHz tegenover ongeveer 45 kHz bij de gewone dwergvleermuis, en verder in kleine kenmerken van gezicht en vleugeladering die alleen in de hand te zien zijn. Zonder detector is een dwergvleermuis boven een vijver dus alleen tot het geslacht te determineren. Kuhls dwergvleermuis (Pipistrellus kuhlii) uit het Middellandse Zeegebied, die zich snel naar het noorden uitbreidt, heeft een witte achterrand aan de vleugel. Groter en met een andere vlucht zijn de rosse vleermuis en de laatvlieger: die vliegen hoger en rechter, met veel tragere vleugelslagen; de laatvlieger is in silhouet ongeveer zo groot als een merel. Een gierzwaluw in het laatste licht is de meest voorkomende vergissing: die vliegt met stijve, sikkelvormige vleugels in wijde bogen en maakt geen scherpe hoekige wendingen.

Leefgebied

Dorpen en steden en de lijnvormige landschapselementen daaromheen: lanen, singels, houtwallen, bosranden, parken, tuinen, grachten, sloten en vijvers. De soort jaagt bij voorkeur langs en boven opgaande begroeiing en boven stilstaand water, waar muggen opstijgen, en maakt gebruik van lantaarns waar insecten zich verzamelen. De verblijfplaats is vrijwel altijd een gebouw (een spouwmuur, een spleet achter gevelbetimmering, een daklijst, een spleet onder dakpannen) en veel minder vaak een boomholte of vleermuiskast. Open akkerland zonder randen, kaal weiland en dicht naaldbos worden gemeden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Heel Europa tot ongeveer de poolcirkel, en verder Noord-Afrika en het Nabije Oosten; de wijdst verspreide en talrijkste vleermuis van Europa, en bij vrijwel elk vleermuisonderzoek in Europa de eerste soort op de detector. Op de Britse Eilanden ontbreekt de soort nergens: algemeen in heel Engeland, Wales en Schotland tot in de Hooglanden, op Man en in heel Ierland, waar het een van de weinige zoogdieren is die er op eigen kracht zijn gekomen. In Nederland en België komt de soort in vrijwel elk dorp en elke stadswijk voor, belandt zij het vaakst in huizen en levert zij de meeste meldingen op. Op het Iberisch Schiereiland komt zij overal voor, van zeeniveau tot in het middengebergte, en is zij de gewone vleermuis van stadscentra als Madrid, Barcelona, Sevilla en Zaragoza, waar zij spouwmuren, dilatatievoegen en rolluikkasten gebruikt; daar leeft zij naast Kuhls dwergvleermuis, die in veel steden in het zuiden en oosten zelfs talrijker is, zodat een dwergvleermuis in een Spaanse stad alleen met een detector te determineren is. Ook op de Balearen, in Italië en Griekenland is zij algemeen tot in de stadscentra.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief; het uitvliegen begint een kwartier tot een half uur na zonsondergang, waarna het dier twee tot vier uur jaagt, midden in de nacht rust en tegen de ochtend nogmaals uitvliegt. Het voedsel bestaat uit kleine, zachte insecten die in de vlucht worden gevangen: dansmuggen, steekmuggen, schietmotten, gaasvliegen en kleine motten, enkele honderden tot enkele duizenden per nacht. In mei en juni vormen de vrouwtjes kraamkolonies van enkele tientallen tot enkele honderden dieren in een spouwmuur of achter een gevel; half juni wordt één jong geboren, soms twee, dat na vier weken zelf vliegt. De mannetjes houden in de nazomer een baltsterritorium met een vaste ronde en lokken vrouwtjes naar een paarverblijf; de paring vindt in de herfst plaats en de bevruchting pas in het voorjaar. Van november tot maart houdt de soort winterslaap, meestal in een spleet in een gebouw, soms in een groeve, kelder of boom, en wisselt in de loop van de winter van verblijfplaats. Een dwergvleermuis kan zestien jaar oud worden, een hoge leeftijd voor een dier van zes gram.

Waar en wanneer kijken

Kies een windstille zomeravond, een half uur na zonsondergang, bij een vijver, een gracht, een laan of een verlichte gevel: tegen de lichte avondlucht zijn de dieren van onderaf te zien. Een batdetector op 45 kHz maakt de soort hoorbaar; de gewone dwergvleermuis klinkt als een reeks natte, vette klapjes die bij een vangst versnellen tot een ratel. In augustus en september zijn baltsende mannetjes langs de gevels te horen en zwermen dieren bij de winterverblijven. Vliegt er een dier het huis binnen, doe dan het licht uit en zet een raam wijd open; het dier vindt zelf de weg naar buiten. Vleermuizen worden niet met blote handen aangeraakt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2020) en de talrijkste vleermuis van Europa, maar net als alle Europese vleermuizen streng beschermd: in de Europese Unie via de Habitatrichtlijn en nationale wetgeving, en in Groot-Brittannië via de eigen natuurwetgeving. Het knelpunt is dat de verblijfplaatsen in bewoonde gebouwen liggen: bij na-isolatie van spouwmuren, dakrenovatie en sloop verdwijnen kraamkolonies binnen één werkdag, vaak met de dieren erin. De golf van na-isolatie en energetische renovatie van de laatste jaren is daarmee de grootste bekende bedreiging voor de populaties in de Lage Landen en Groot-Brittannië en voor stedelijke populaties in het algemeen. Daarnaast spelen lichtvervuiling langs vliegroutes, het verwijderen van houtwallen en singels, en de algemene afname van insecten een rol. Maatregelen zijn onderzoek vóór de verbouwing, het behouden of vervangen van invliegopeningen, en het in stand houden van donkere lijnvormige landschapselementen.

Wetenschappelijke naam

Pipistrellus pipistrellus | (von Schreber, 1774)

Von Schreber beschreef de soort in 1774 als Vespertilio pipistrellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pipistrellus is gevormd bij het Italiaanse pipistrello 'vleermuis', dat teruggaat op het Latijnse vespertilio, bij vesper 'avond'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.