Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Kleine dwergvleermuis
Kleine dwergvleermuis | Pipistrellus pygmaeus
Soprano Pipistrelle | Murciélago De Cabrera
De kleine dwergvleermuis is een van de kleinste vleermuizen van Europa: onderarm 27,7 tot 32,8 mm, gewicht ongeveer 4 tot 7,5 gram. Lange tijd gold zij als deel van de gewone dwergvleermuis. In 1993 beschreven Jones en Van Parijs bij de dwergvleermuis twee groepen met een verschillende piekfrequentie van de echolocatie, het '45 kHz-type' en het '55 kHz-type'; in 1997 toonden Barratt e.a. met DNA aan dat het om twee soorten gaat, en in 1999 stelden Jones en Barratt neotypen voor om beide namen vast te leggen. Het 55 kHz-type kreeg de naam Pipistrellus pygmaeus, die Leach in 1825 had gegeven aan een dwergvleermuis uit Spitchwick bij Dartmoor in Devon.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Zomerverblijven liggen in gebouwen, achter wandbetimmering, onder daken en in grote holle ruimten onder daken of plafonds, daarnaast in holle bomen en, vooral in landbouwgebied, in vleermuiskasten. Kraamkolonies tellen tot enkele honderden, in enkele gevallen enkele duizenden dieren en zijn gemiddeld iets groter dan die van de gewone dwergvleermuis; zij kunnen gedeeld worden met gewone, ruige en kuhls dwergvleermuis en met Brandts vleermuis. Kraamkolonies zijn luidruchtig. Winterverblijven zijn weinig bekend: vermoedelijk vooral boomholten, soms rotsspleten, muren, gebouwen en vleermuiskasten; in Roemenië zijn overwinterende dieren in grotten gevonden. De sociale roepen bestaan uit reeksen van twee tot vier, meestal drie pulsen.
Herkenning
Een zeer kleine vleermuis met een vacht die op de rug iets donkerder is dan op de buik, in lichte bruintinten van geelachtig tot zandbruin. Vacht en huid zijn lichter dan bij de gewone dwergvleermuis, en de wangklieren en de huid rond penis en vagina zijn geelachtig tot oranje, waar ze bij de gewone dwergvleermuis grijs zijn. De snuit is kort, het voorhoofd duidelijk gewelfd; midden op de neus zit bij beide geslachten een hartvormige verdikking, die het handboek als vrij kenmerkend beschrijft. De oren zijn kort en driehoekig, met een slanke, gebogen, afgeronde tragus. De vleugels zijn kort (spanwijdte 19 tot 23 cm) en hechten aan de basis van de tenen. Het adernetwerk in de vleugel wordt gebruikt om de Europese dwergvleermuizen te onderscheiden, maar bleek maar in 89 procent van de gevallen betrouwbaar. De zoekroepen beginnen frequentiegemoduleerd en eindigen in een vrijwel constant deel, met een piek tussen 50 en 60 kHz, soms tot 65 kHz, en gemiddeld rond 55 kHz; zij duren ongeveer even lang als bij de gewone dwergvleermuis.
Gelijkende soorten
De gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) is de soort waarvan de kleine dwergvleermuis is afgesplitst; tot in de jaren negentig werden beide onder één naam gevoerd, en een deel van de oudere chromosoomgegevens van de gewone dwergvleermuis betreft volgens het handboek waarschijnlijk deze soort. Uitwendig zijn ze nauwelijks te scheiden: de kleine dwergvleermuis heeft een lichtere vacht en huid, geeloranje in plaats van grijze wangklieren en geslachtsdelen, de hartvormige verdikking op de neus en een ander adernetwerk in de vleugel. Het bruikbaarste kenmerk is de roep: de piek ligt bij de kleine dwergvleermuis tussen 50 en 60 kHz (gemiddeld rond 55 kHz), bij de gewone dwergvleermuis tussen 42 en 51 kHz (het '45 kHz-type'). Rond 50 kHz overlappen de twee, vooral in een omgeving met veel begroeiing, en dan is een opname niet met zekerheid toe te wijzen. In Midden-Europa kruisen beide soorten af en toe. De echolocatie van de langvleugelvleermuis (Miniopterus schreibersii) is vrijwel gelijk aan die van de kleine dwergvleermuis. De ruige dwergvleermuis (P. nathusii) is groter, met langere vleugels, en roept rond 38 tot 43 kHz. Op Kreta leeft de verwante P. creticus; volgens genetisch onderzoek vormen P. pygmaeus, P. creticus en de Libische P. hanaki samen een groep die zustergroep is van de gewone dwergvleermuis.
Leefgebied
Stadscentra en een reeks andere leefgebieden: bos, moerassen, landelijk gebied, graslanden, weiden en akkerland. De soort leeft in de nabijheid van mensen, en volgens een reeks auteurs is zij sterker gebonden aan water, moerassen en bebouwing dan de gewone dwergvleermuis, al kan dat met de breedtegraad verschillen. Zij jaagt veel boven moerassen en open water en is tot meer dan 500 m uit de oever boven meren en zee jagend waargenomen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het grootste deel van Europa, van Ierland en het Iberisch Schiereiland oostwaarts tot Rusland en de Kaukasus, en op de grote eilanden van de Middellandse Zee: de Balearen, Corsica, Sardinië en Sicilië (ondersoort P. p. pygmaeus). Op Cyprus leeft P. p. cyprius, in 2007 door Benda beschreven; volgens het handboek is die morfologisch sterk en genetisch vrij duidelijk verschillend en mogelijk een aparte soort. Omdat de soort pas sinds de jaren negentig apart wordt geregistreerd, is haar verspreiding minder goed bekend dan die van de gewone dwergvleermuis.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief. De kleine dwergvleermuis vliegt als een van de eerste Europese vleermuizen uit en jaagt soms al voor zonsondergang; de activiteit piekt na zonsondergang en, meestal lager, voor zonsopgang. De dieren vliegen vaak elke nacht dezelfde route en bezoeken dezelfde jachtgebieden. De vlucht is traag, grillig en wendbaar. Het voedsel bestaat uit kleine muggen en nachtvlinders, daarnaast vliesvleugeligen, schietmotten, kevers, wantsen, bladluizen en netvleugeligen, die altijd in de vlucht worden gevangen. Vrouwtjes vormen in april en mei kraamkolonies; eind mei en begin juni worden meestal tweelingen geboren. De jongen zijn grijzer dan de roodachtige of bruine volwassen dieren, vliegen na drie tot vier weken en zijn na ongeveer zes weken zelfstandig. De paring valt tussen eind juli en oktober; jonge vrouwtjes zijn dan al geslachtsrijp, mannetjes pas in hun tweede jaar. De soort geldt niet als trekvogel onder de vleermuizen, maar verplaatst zich waarschijnlijk over korte afstanden tussen zomer- en winterverblijf; verplaatsingen tot 760 km zijn gemeld. De winterslaap loopt meestal van november tot maart.
Waar en wanneer kijken
Met een batdetector op 55 kHz is de soort te horen; op 45 kHz klinkt de gewone dwergvleermuis het luidst. Een detector met frequentieweergave of een opname geeft de piekfrequentie: een piek boven 51 kHz, het bovenste eind van de gewone dwergvleermuis, wijst op de kleine dwergvleermuis, een piek onder 50 kHz op de gewone; rond 50 kHz blijft de determinatie onzeker. Moerassen, vijvers, meren, rivieroevers en parken met water zijn geschikte plekken, al vanaf zonsondergang. Een kraamkolonie in een gebouw is bij het uitvliegen te tellen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is wijdverbreid en in de meeste leefgebieden algemeen. Als belangrijkste bedreigingen noemt het handboek directe vervolging, het verstoren en vernietigen van verblijven, huisdieren (vooral katten) en de renovatie van gebouwen. De kleine dwergvleermuis staat, zoals alle vleermuizen in de Europese Unie, in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Pipistrellus pygmaeus | (Leach, 1825)
Leach beschreef de soort in 1825 als Vespertilio Pygmæus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pipistrellus is gevormd bij het Italiaanse pipistrello 'vleermuis', dat teruggaat op het Latijnse vespertilio, bij vesper 'avond'. pygmaeus is Latijn voor 'dwergachtig', uit het Griekse pygmaios, bij pygmē 'vuist' als lengtemaat: de kleinste vleermuis van Europa. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Verenigd Koninkrijk, Devon.






