Alle soorten › Knaagdieren › Springmuizen › Grote paardenspringmuis

Grote paardenspringmuis | Allactaga major

Great Jerboa | Gran Jerboa

De grote paardenspringmuis is de grootste springmuis van Europa en een van de grootste ter wereld. Hij beweegt zich springend op de achterpoten voort, haalt meer dan een meter per sprong en bereikt snelheden van veertig kilometer per uur. Overdag zit hij in een hol met een dichtgestopte ingang; 's nachts foerageert hij in open steppe en langs steppewegen. De oren zijn bijna zes centimeter lang. In Europa leeft alleen de westelijke rand van een groot Aziatisch areaal.

Grote paardenspringmuis (Allactaga major)
Foto: Kudaibergen Amirekul — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De soort springt en loopt niet; in zand of stof op een steppepad laat ze een reeks paarsgewijze achtervoetafdrukken achter, zonder andere prenten ertussen. Voorvoetprenten ontbreken, omdat de voorpoten tegen de borst worden gehouden; ze verschijnen alleen waar het dier heeft stilgestaan om te graven of te eten, als twee kleine prenten dicht bij elkaar. De achtervoet heeft vijf tenen, maar alleen de drie middelste dragen het gewicht; de prent is daardoor drietandig, met de nagelpunten vooraan en daarachter de afdruk van de stijve haarborstel onder de voet. De afstand tussen twee opeenvolgende paren is bij rustige voortbeweging 80 tot 125 centimeter, bij een opgeschrikt dier enkele meters; het spoor valt dan uiteen in losse groepen die moeilijk met elkaar te verbinden zijn. Bij hoge snelheid staan de twee prenten van een paar naast elkaar, bij lage snelheid staat de ene iets voor de andere. Het tweede spoor is de holingang: een schuine gang die overdag met een prop aarde is afgesloten, met de uitgegraven grond niet bij de opening maar als een platte, langgerekte hoop op enige afstand, omdat het dier het zand wegdraagt. Er zijn drie typen holen: een vast zomerhol met kamers en blinde vluchtgangen, een dieper winterhol, en ondiepe, schuine vluchtholen van enkele decimeters die overdag onderweg worden gebruikt. Keutels zijn klein, hard, droog en langwerpig en liggen verspreid.

Herkenning

Kop-romp 18,7 tot 26 cm, staart 25 tot 30,5 cm, gewicht 260 tot 415 gram. Een korte, brede kop met zeer grote ogen, oren van 57 tot 59 millimeter die rechtop worden gedragen, korte voorpoten die tegen de borst worden gehouden, en achterpoten van bijna de helft van de lichaamslengte. De vacht is bruingrijs tot bleek zandgrijs met roodbruine tinten; buik en binnenzijde van de poten zijn wit, de dijen roestgeel met een witte streep erachter. De staart is ongeveer anderhalf keer zo lang als het lichaam en eindigt in een plat, tweekleurig vaantje: een zwarte band met daarachter een zuiver witte punt. De achtervoet heeft vijf tenen, waarvan de twee buitenste veel kleiner zijn; die vijftenige voet onderscheidt het geslacht van alle drietenige springmuizen. De soort loopt niet maar springt, met het lichaam rechtop en de staart als tegenwicht.

Gelijkende soorten

In Oekraïne komt geen andere vijftenige springmuis voor; een groot, op twee poten springend knaagdier in de Oost-Europese steppe is daar deze soort. De Stylodipus telum leeft ook in de zandsteppen van Zuid-Oekraïne, maar is nog geen half zo lang, heeft drie tenen, veel kortere oren en een dikke staart met een weinig ontwikkeld vaantje. Verder naar het oosten leven kleinere Allactaga- en Scarturus-soorten, die op grootte en oorlengte te onderscheiden zijn. Een haas is ongeveer tien keer zo zwaar en rent op vier poten; een gerbil is klein, rent op vier poten en heeft een behaarde staart zonder vaantje. In het spoor is de soort eenduidig: geen ander Europees zoogdier laat paren achtervoetprenten achter met ongeveer een meter ertussen.

Leefgebied

Open, droge, schaars begroeide steppe met een vaste bodem: kruidenarme veder- en zwenkgrassteppe, alsemsteppe, zoutsteppe, kale hellingen van ravijnen en balka's, en door de mens gevormde varianten daarvan: bermen van steppewegen, akkerranden, braakland en overbeweide weide. Hoog en dicht gras wordt gemeden, omdat de soort daar niet kan springen. Anders dan de zandbewonende springmuizen heeft ze een voorkeur voor lemige en kleiige grond; los stuifzand wordt door Stylodipus bewoond. In de akkerbouwgebieden van Zuid-Rusland en Oekraïne zijn wegbermen vaak het laatste resterende leefgebied.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van de steppen van Oost-Oekraïne en Zuid-Rusland oostwaarts door Kazachstan en Noord-Oezbekistan tot West-Siberië en Xinjiang. In Europa ligt alleen de westelijke rand van dit grotendeels Aziatische areaal: de steppe en bossteppe van Oekraïne ten oosten van de Dnjepr, het gebied rond de Zee van Azov, en de Russische steppen langs de Don, de Wolga en in de Zuidelijke Oeral. De westgrens is in de afgelopen eeuw door het omploegen van de steppe naar het oosten verschoven. Europese waarnemingen zijn schaars: GBIF bevat voor het westelijkste deel van het areaal, tot ongeveer 37° oosterlengte, minder dan honderd waarnemingen sinds 2006; dat weerspiegelt zowel de geringe waarneeminspanning als de zeldzaamheid van de soort.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Strikt nachtactief: de dieren komen kort na zonsondergang boven en zijn voor de dageraad weer in het hol. Solitair, met een eigen holenstelsel, en niet uitgesproken territoriaal. Het voedsel wisselt met het seizoen: in het voorjaar vooral ondergrondse plantendelen, die met de snijtanden worden uitgegraven, waaronder bollen van Gagea; daarna zaden, jonge scheuten, bast en een aanzienlijk aandeel insecten. De soort drinkt niet en haalt vocht uit het voedsel. De winterslaap is diep en lang: de dieren verdwijnen in september, soms pas in oktober, en komen tussen half maart en april weer boven, zodat ze vier tot zes en een halve maand onder de grond doorbrengen; soms overwinteren meerdere dieren in één nest. Na de winterslaap volgt de voortplanting: een draagtijd van ongeveer 25 dagen en één, in gunstige jaren twee worpen van één tot acht, meestal drie tot zes jongen. In geschikt gebied zijn dichtheden van vijf tot acht dieren per hectare gemeten. Weinig dieren worden ouder dan drie jaar. Bij gevaar vlucht het dier niet in een rechte lijn maar met onvoorspelbare zijsprongen haaks op de looprichting, met snelheden tot veertig en kortstondig vijftig kilometer per uur. Predatoren zijn onder meer steppevos en oehoe.

Waar en wanneer kijken

De soort is het best 's nachts met koplampen te vinden. Rijd op een warme, windstille nacht in mei, juni of juli stapvoets over een onverharde steppeweg in Oost-Oekraïne of Zuid-Rusland, met de ramen open, en let op rode oogreflecties laag boven de grond en op springende bewegingen in de berm. Een opgeschrikt dier blijft vaak enkele seconden rechtop staan met de oren omhoog voordat het zijwaarts wegspringt. Zoek overdag in het stof van paden naar de reeks paren prenten met ongeveer een meter ertussen en volg die terug naar het afgesloten hol. Graaf niet. Het hele Europese areaal van de soort ligt in een gebied waar oorlog wordt gevoerd of waar mijnen liggen; kies het gebied zorgvuldig en met plaatselijke begeleiding.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016); het Aziatische deel van het areaal is groot en de aantallen zijn daar nog aanzienlijk. In Europa leeft de soort aan de westrand van haar areaal, in een landschap dat in twee eeuwen bijna volledig is omgeploegd: van de Pontische steppe resteren enkele procenten, versnipperd over reservaten, spoordijken en grafheuvels. De aantallen in Oekraïne en Zuidwest-Rusland nemen al decennia af, populaties raken van elkaar geïsoleerd, en sinds 2022 zijn daar oorlogsschade, branden en mijnenvelden bijgekomen. De soort staat op verschillende regionale rode lijsten, en de IUCN-beoordeling benadrukt dat de aantallen gevolgd moeten blijven worden. De mondiale categorie weerspiegelt vooral de situatie in Azië, niet die in Europa.

Wetenschappelijke naam

Allactaga major | (Kerr, 1792)

Kerr beschreef de soort in 1792 als Dipus sibiricus major; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Allactaga is ontleend aan een Turkse of Tataarse naam voor de springmuis, alaktaga. major is Latijn voor 'de grotere', de vergrotende trap van magnus: Kerr onderscheidde het dier als de grote vorm naast de andere springmuizen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kazachstan, Kostanay.