Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Grote rosse vleermuis

Grote rosse vleermuis | Nyctalus lasiopterus

Giant noctule | Nóctulo Grande

De grote rosse vleermuis is de grootste soort van het geslacht Nyctalus en de grootste vleermuis van Europa: onderarm 59 tot 70 mm, gewicht 33 tot 74 gram, spanwijdte 41 tot 46 cm. Von Schreber beschreef haar in 1780 als Vespertilio lasiopterus; de typelocatie is onzeker, mogelijk Pisa. De soort leeft in oude bossen, jaagt hoog boven het kronendak en eet in voor- en najaar voor een deel 's nachts trekkende zangvogels. Zij is in het gidsgebied verspreid over een lappendeken van weinig bekende vindplaatsen.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Zomerverblijven liggen in holle bomen en in vleermuiskasten, soms in gebouwen en in de droge bladeren van hoge palmen (Washingtonia filifera); in de winter vooral in holle bomen en rotsspleten. Bij het uitvliegen laten de dieren zich tot 3 m vallen om snelheid te maken. Kraamkolonies tellen tot 80 vrouwtjes met hun jongen, verspreid over meerdere bomen: de groep leeft in een fission-fusion-verband, met een rangorde, en verdeelt zich elke dag over verschillende verblijven. De luide, metaalachtige sociale roepen bij een verblijf zijn zonder detector te horen.

Herkenning

Een zeer grote, forse vleermuis met lange, smalle vleugels. De rugvacht is roodbruin, met eenkleurige haren; de buik is lichter roodbruin, en de buikvacht loopt door op de vleugel en de staartvlieghuid. Gezicht, oren en vlieghuiden zijn donkerbruin. De snuit is kort en breed, met grote klieren tussen neusgaten en ogen; de oren zijn kort en driehoekig met vier tot vijf plooien, en de tragus is heel kort en paddenstoelvormig, zoals bij alle Nyctalus-soorten. De vleugels hechten aan de enkel. De schedel is groot en stevig, het gebit zwaar. Hoog in de lucht (boven 50 m) zijn de zoekroepen steil tot vlak frequentiegemoduleerd, van gemiddeld 25,1 naar 17,6 kHz, met de piek rond 18,8 kHz, een duur van ongeveer 12 ms en ongeveer 320 ms tussen de roepen. Lager dan 20 m worden de roepen steil FM/QCF, met een tweede harmonische; soms wisselen twee frequenties elkaar af, zoals bij de rosse vleermuis. De sociale roepen zijn luid, metaalachtig en met eindfrequenties van 9 tot 15 kHz voor mensen hoorbaar.

Gelijkende soorten

De rosse vleermuis (Nyctalus noctula) heeft dezelfde bouw, kleur en tragus, maar is kleiner: onderarm 47 tot 60 mm tegen 59 tot 70 mm, gewicht 17 tot 44 g tegen 33 tot 74 g. In de overlapzone van 59 tot 60 mm beslissen gewicht, schedel en gebit. Op de batdetector ligt de piek van de grote rosse vleermuis met ongeveer 19 kHz lager dan de 22 tot 27 kHz van de rosse vleermuis, maar de roepen variëren met de vlieghoogte en overlappen deels. De bosvleermuis (N. leisleri, onderarm 35 tot 46 mm) is veel kleiner en heeft tweekleurige haren. De laatvlieger (Cnephaeus serotinus) heeft bredere vleugels en een tragere, lagere vlucht. De verwante N. aviator is soms als ondersoort van deze soort behandeld, maar wordt door het handboek als aparte soort gezien.

Leefgebied

Rijp, gesloten gematigd gemengd bos en loofbos in Europa; in Marokko intact mediterraan bos van kurkeik (Quercus suber) en Q. canariensis, in Libië bos van cipres (Cupressus sempervirens) en jeneverbes. De soort is voor verblijf en jacht grotendeels op oude, intacte bossen aangewezen, maar leeft op het Iberisch Schiereiland ook in stadsparken met oude bomen. Van zeeniveau tot 1900 m. De jachtgebieden liggen meestal 15 tot 40 km van het dagverblijf, soms tot 130 km in één nacht.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Verspreid en plaatselijk in Zuid- en Oost-Europa, van het Iberisch Schiereiland tot West-Rusland, de Oeral en het uiterste westen van Kazachstan, en verder op Sicilië en Cyprus, in West- en Noordoost-Turkije, de Kaukasus en Noordwest-Iran; in Noord-Afrika in Noord-Marokko en Noordoost-Libië, mogelijk ook in Algerije. Het Iberisch Schiereiland en Noord-Hongarije, waar een grote populatie leeft, gelden als zwaartepunten. In 2020 en 2021 werden dieren met GPS-zenders gevolgd van zomergebied in het Meshchera-nationaal park (oblast Vladimir, Rusland) naar het zuidwesten, tot in Polen, Bulgarije en Italië.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief; de dieren vliegen in de schemering uit. De grote rosse vleermuis is een snelle luchtjager die meestal meer dan 50 m boven de grond jaagt; radaronderzoek in Spanje toont vluchten tot enkele honderden meters hoogte. Het voedsel bestaat grotendeels uit vliegende insecten, zoals nachtvlinders, libellen en kevers, maar in voor- en najaar vangt de soort ook 's nachts trekkende zangvogels, zoals roodborst, pimpelmees en fluiter; in sommige streken maken die in die seizoenen tot de helft van het voedsel uit. Hooiwagens in de uitwerpselen wijzen erop dat de dieren soms ook prooien van een ondergrond pakken. De paring valt tussen midzomer en midherfst; mannetjes hebben van begin augustus tot oktober ingedaalde testikels. De jongen worden van begin mei tot begin juni geboren, een of twee per worp, en worden tot begin augustus gezoogd. In het noorden van het areaal houdt de soort vermoedelijk winterslaap, maar dat is niet bevestigd. De soort trekt: met GPS-zenders is een seizoenstrek van 2515 km gemeten, het langste bekende trekrecord van een vleermuis, met een dagafstand tot 445 km (Vasenkov e.a. 2023). Rovers zijn onder meer kerkuil, sakervalk en steenmarter.

Waar en wanneer kijken

De soort is in het veld moeilijk te volgen, omdat zij hoog boven het kronendak jaagt. Een batdetector op 15 tot 20 kHz kan de lage roepen oppikken; een opname met analyse is nodig om haar van de rosse vleermuis te scheiden. De sociale roepen bij een verblijf in de schemering zijn het bruikbaarste spoor, omdat zij zonder detector te horen zijn. De kans op een waarneming is het grootst in de zwaartepunten van het areaal, het Iberisch Schiereiland en Noord-Hongarije.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU, 2016). Het areaal is groot maar versnipperd, met weinig meldingen in veel streken, vooral in Noord-Afrika. De dichtheden zijn overal laag en de populaties lijken af te nemen. Als bedreigingen noemt het handboek de kap van oud bos en het verlies of verstoren van verblijven, waarbij bij het vernietigen van een verblijf veel dieren tegelijk sterven, en sterfte bij windturbines, onder meer in Spanje. In Zuid-Spanje concurreert de ingevoerde halsbandparkiet met de soort om boomholten. Omdat zij hoog jaagt en moeilijk te inventariseren is, kan de soort algemener zijn dan nu bekend. Zij valt, zoals alle vleermuizen in de Europese Unie, onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn en onder het EUROBATS-verdrag; beschermingsplannen voor de soort bestonden in 2019 niet.

Wetenschappelijke naam

Nyctalus lasiopterus | (von Schreber in E. A. W. von Zimmermann, 1780)

Von Schreber in E. A. W. von Zimmermann beschreef de soort in 1780 als Vespertilio lasiopterus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nyctalus hoort bij het Griekse nyx, genitief nyktos, 'nacht'; Bowdich licht de naam niet toe, en op welk Grieks woord hij precies teruggrijpt staat niet vast. lasiopterus is Grieks voor 'ruigvleugelig', van lasios 'ruig behaard' en pteron 'vleugel', naar de beharing langs de onderarm op de vlieghuid. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.