Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Ingekorven vleermuis
Ingekorven vleermuis | Myotis emarginatus
Geoffroy’s bat | Murciélago Ratonero Pardo
De ingekorven vleermuis is een middelgrote Myotis met roestbruine, wollige vacht en een inkeping in de buitenrand van het oor, waaraan de soort haar naam dankt. Zij leeft in Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië in structuurrijk, halfopen landschap, jaagt vooral op vliegen en spinnen, en zoekt die vaak in en rond veestallen. Kraamkolonies hangen in dichte trossen op zolders en in grotten, vaak samen met hoefijzerneuzen.
Sporen
Kraamkolonies hangen in dichte, vrij hangende trossen op zolders van kerken en huizen, in veestallen en andere gebouwen, en in het zuiden in grotten, meestal onder 900 m hoogte; vaak samen met hoefijzerneuzen. Onder zo'n tros ligt mest op de vloer. In veestallen zijn de dieren 's avonds te zien terwijl ze tussen de balken en langs de wanden jagen. De winterslaap wordt in grotten, mijnen en andere ondergrondse ruimten doorgebracht, vaak vrij hangend en, bij mannetjes, meestal alleen; kleine groepjes hangen soms tussen andere soorten. Kraamverblijven worden vaak in augustus verlaten.
Herkenning
Een middelgrote Myotis: onderarm 36 tot 45 mm, gewicht 5,5 tot 15,5 gram. De vacht is lang en wollig; de rug is grijsbruin tot helder roestbruin, en de rugharen zijn driekleurig: grijs aan de basis, strogeel in het midden en aan de punt in de kleur van de rug. De buik is iets tot veel lichter, geelgrijs tot bleek roodbruin. Jonge dieren zijn donkerder en grijzer. De snuit is behaard en roodbruin tot middenbruin. De oren zijn grijsbruin en vrij lang, met een duidelijke inkeping in de buitenrand op ongeveer twee derde van de basis; de tragus is lancetvormig met een stompe punt en reikt tot iets voorbij de helft van de oorhoogte. De vlieghuiden zijn egaal grijsbruin, de vleugel is aan de basis van de buitenste teen vastgehecht, de achtervoeten zijn vrij kort en de spoor reikt tot ongeveer halverwege de staart. De echolocatie bestaat uit zeer korte (1 tot 3 ms), sterk gemoduleerde signalen die bij ongeveer 140 kHz beginnen en rond 38 kHz eindigen, zelden onder 30 kHz.
Gelijkende soorten
De kleur is het eerste kenmerk: geen andere Myotis-soort van het gidsgebied heeft zo'n roestbruine, wollige vacht. De franjestaart (M. nattereri) en de daarvan afgesplitste soorten hebben een grijsbruine rug, een witte buik, een roze gezicht en een franje van stijve haren aan de staartvlieghuid; hun oor heeft geen diepe inkeping. De baardvleermuis en Brandts vleermuis (M. mystacinus, M. brandtii) zijn kleiner en hebben een donker gezicht en donkere oren. In grotten en op zolders hangt de ingekorven vleermuis vaak tussen hoefijzerneuzen (Rhinolophus), die een neusblad hebben, geen tragus, en in rust in de vleugels gehuld hangen. Op de batdetector is de soort niet betrouwbaar van andere Myotis-soorten te scheiden.
Leefgebied
Structuurrijk, halfopen landschap: loofbos met een voorkeur voor loofbomen, struweel, oeverbos en lage vegetatie, verder boomgaarden, parken en erven met veestallen, van zeeniveau tot 1800 m. De soort zoekt eerder hellend terrein dan open vlakten en komt steeds voor in de buurt van ondergrondse verblijfplaatsen. Winterverblijven liggen in grotten en mijnen met een vrij constante temperatuur, vaak tot 13 °C.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Europa en Noord-Afrika, met de meeste grotere eilanden in de Middellandse Zee, oostwaarts tot de Kaukasus en het Midden-Oosten (M. e. emarginatus); in het Aziatische deel van het areaal ten oosten van de Kaukasus de vorm M. e. desertorum. In Europa reikt het areaal noordwaarts tot in Nederland, België en Midden-Duitsland; volgens de beschikbare gegevens breidt de soort zich plaatselijk uit naar nieuwe gebieden.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De ingekorven vleermuis pakt de meeste prooien van oppervlakken (gleaning) en vliegt daarbij laag over de grond en langs vegetatie. Het voedsel bestaat vooral uit vliegen en spinnen, aangevuld met kevers en vliesvleugeligen; de soort jaagt in rijk struweel en grasland en rond stallen en schaapskooien, waar veel vliegen bij de mest van het vee zitten. De dieren vliegen 15 tot 20 minuten na zonsondergang uit en vliegen tot 12,5 km naar jachtgebieden van 50 tot 70 ha, met snelheden tot 55 km per uur. Kraamkolonies tellen meestal 20 tot 500 vrouwtjes en enkele mannetjes. De jongen, één per vrouwtje, zelden een tweeling, worden tussen begin juni en half juli geboren; de zoogtijd duurt 25 tot 35 dagen. Vrouwtjes paren meestal niet in hun eerste jaar. In de nazomer zwermen groepen, vooral mannetjes, bij grotten en mijnen. De winterslaap duurt lang, tot half april of later. De langste bekende verplaatsing is 105 km, maar er zijn weinig winterverblijven bekend.
Waar en wanneer kijken
De ingekorven vleermuis is het best te zien bij het uitvliegen uit een bekende kraamkolonie, of 's avonds in een veestal waar de dieren tussen de balken jagen. De roestbruine kleur is bij een hangend dier in een verblijf met een zwakke lamp te zien; het dier wordt daarbij niet aangeraakt en de lamp niet lang op de tros gericht. Kraamverblijven worden van mei tot augustus niet betreden, winterverblijven niet in de winter.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). In voorgaande decennia namen de aantallen af, maar de soort heeft zich volgens de beschikbare gegevens hersteld en breidt zich plaatselijk uit. Doordat kolonies in grotten hangen, is de soort gevoelig voor verstoring, vooral door recreatie, en meer recent door branden en vandalisme; ook wordt zij voor traditionele geneeskunde gejaagd. De soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn, zodat voor haar speciale beschermingszones moeten worden aangewezen, en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Myotis emarginatus | (É. Geoffroy Saint-Hilaire, 1806)
É. Geoffroy Saint-Hilaire beschreef de soort in 1806 als Vespertilio emarginatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. emarginatus is Latijn voor 'met een uitgesneden rand', van e- 'uit' en margo 'rand', naar de duidelijke inkeping in de buitenrand van het oor. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Ardennes.






