Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Lepus mediterraneus

Lepus mediterraneus | Lepus mediterraneus

Mediterranean Hare | Lepus mediterraneus

Lepus mediterraneus is een haas van Sardinië en Noord-Afrika zonder gangbare Nederlandse, Engelse of Spaanse naam. Wagner beschreef de soort in 1841 naar een dier uit Sardinië; daarna werd ze anderhalve eeuw als ondersoort van de Kaapse haas behandeld. In 2019 werd ze op grond van moleculair en morfometrisch onderzoek, samen met de Marokkaanse haas en de Westsaharahaas, weer als aparte soort uit dat complex gehaald, en de Mammal Diversity Database erkent haar sindsdien als soort. Omdat ze zo lang alleen als ondersoort in de literatuur voorkwam, heeft ze geen volksnaam gekregen. Hazen op Sardinië en in bijvoorbeeld Kabylië behoren volgens de huidige indeling tot deze soort, maar worden in het veld en in databanken nog vaak Lepus capensis genoemd.

Lepus mediterraneus (Lepus mediterraneus)
Foto: Mourad Harzallah — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De soort graaft niet en laat dezelfde oppervlaktesporen achter als andere hazen, hier in maquisbodem en droog stof. Het leger is een ondiepe kuil onder een cistus-, mastiek- of bremstruik of in de voor van een braakliggende akker, uitgesleten tot op de kale grond en met de opening uit de wind. De keutels zijn afgeplatte bolletjes van 15 tot 20 mm, hard, okerkleurig en grofvezelig, los verspreid op open plekken en langs de wissels, nooit op hoopjes; het konijn legt zijn keutels op vaste latrines. De prent is lang en smal, met vier tenen, en door de behaarde zool onscherp begrensd; in het sprongspoor staan de twee lange achtervoeten vooraan en de kleine voorvoeten daarachter, meestal achter elkaar in één lijn. Op zandwegen tussen wijngaarden, stoffige veldpaden en in de as van een brandvlakte is die groep van vier prenten goed te zien. Vraatsporen zijn gladde, schuine sneden van ongeveer 45 graden aan jonge scheuten; in de winter ook geschilde bast van wijnstok, olijf- en amandelopslag tot ongeveer zestig centimeter hoogte. Op Sardinië foerageert de soort bij voorkeur in pas afgebrande of gemaaide macchia, waar jonge scheuten opkomen.

Herkenning

Een kleine, slanke haas: kop-romp 40 tot 50 cm en anderhalf tot tweeënhalf kilo, duidelijk lichter en korter dan de haas van het Europese vasteland. De vacht is vaalbruin tot roodbruin met zwarte tekening op de rug, de flanken zijn okergeel, de onderdelen wit; de kop is langgerekt met grote, uitpuilende ogen. De oren zijn lang en hebben een zwarte punt; de achterpoten zijn lang en krachtig, de staart is zwart van boven en wit van onder. Noord-Afrikaanse dieren zijn over het algemeen bleker en zandkleuriger dan Sardijnse. De bouw is lichter dan die van de haas, zoals gebruikelijk bij hazen van warme, droge en open gebieden.

Gelijkende soorten

Op Sardinië en de kleinere eilanden is alleen verwarring met het konijn mogelijk, dat er algemeen is: veel kleiner, grijzer, met oren die korter zijn dan de kop en geen zwarte punt hebben, bij het vluchten een opgeheven staart met zichtbaar wit, en een hol om in te vluchten. Op het Italiaanse vasteland ontbreekt de soort; daar komen de Corsicaanse haas en de haas voor, en op Corsica beide. Sardinië en Corsica zijn gescheiden door de Straat van Bonifacio. In de Maghreb is dit over grote afstanden de enige haas; aan de zuidgrens van het areaal komt de Westsaharahaas (Lepus saharae) voor, en in de bergen van Midden-Marokko de Marokkaanse haas. Deze drie soorten zijn in 2019 uit hetzelfde complex afgesplitst en zijn in het veld niet op uiterlijk te onderscheiden; de determinatie berust op de vindplaats, en waar de arealen elkaar raken is determinatie op uiterlijk niet mogelijk. Van de Kaapse haas in de Levant is de soort alleen geografisch gescheiden; de arealen raken elkaar niet.

Leefgebied

Het droge mozaïeklandschap van het Middellandse Zeegebied en Noord-Afrika: macchia en garrigue, cistus- en bremvelden, open steeneikenbos met grazige ondergroei, graanakkers en braakland, wijngaarden en olijfgaarden, droge steppegraslanden, duinen en kustvlakten. Zoals bij andere hazen zijn overgangen van struweel naar open grond het belangrijkst, omdat die dekking en voedsel combineren. Op Sardinië komt de soort voor van zeeniveau tot in het bergland, in de Maghreb van de kuststrook tot op de zuidelijke hoogvlakten, waar het areaal overgaat in dat van de woestijnhazen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Volgens de Mammal Diversity Database: Marokko, Algerije, Tunesië, Libië, Egypte en Italië, waarbij Italië alleen Sardinië en de omliggende eilanden betreft; het vasteland en Sicilië behoren tot het areaal van de Corsicaanse haas. Op Sardinië is de soort wijdverbreid: ze is gemeld uit 258 gemeenten, over een gebied van ongeveer 18.500 km², met dichtheden van één tot vijf dieren per vierkante kilometer op ongeveer de helft van het geschikte terrein en vijf tot tien op ruim een derde daarvan. Ze komt ook voor op Asinara, La Maddalena, Sant'Antioco en San Pietro. Morfometrisch en moleculair onderzoek wijst erop dat de Sardijnse populatie in historische tijd door de mens uit Noord-Afrika is aangevoerd. In GBIF staan voor het Middellandse Zeegebied en Noord-Afrika minder dan veertig waarnemingen onder Lepus mediterraneus, tegenover duizenden onder de oude naam.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief, met een piek in het eerste uur na zonsondergang en opnieuw rond de dageraad; overdag ligt het dier in een leger onder een struik. Het voedsel bestaat uit gras, kruiden, jong graan, scheuten, wortels en knollen, en in de nazomer vruchten; zoals alle hazen neemt de soort de blindedarmkeutels opnieuw op. Solitair; graaft geen hol, maar rust in ondiepe kuilen tussen de struiken. De draagtijd is ongeveer veertig dagen; de worpen zijn klein, op Sardinië gewoonlijk één of twee jongen, maar er zijn meerdere worpen per jaar, vooral van januari tot de zomer. De jongen worden behaard en met open ogen geboren, liggen elk apart verborgen en worden eenmaal per etmaal kort gezoogd. Geen winterrust.

Waar en wanneer kijken

Op Sardinië is de kans het grootst in het laatste uur daglicht en het eerste uur van de nacht op braakliggende akkers, in wijngaarden of langs pas gemaaide stroken macchia. Na donker kan langzaam over landwegen in de Campidano-vlakte, de Marmilla of de Nurra worden gereden, zoekend naar oogreflecties in de bermen; in beschermde gebieden zoals de Oasi di Capo Nieddu zijn de dichtheden het hoogst. In de Maghreb geldt hetzelfde voor het bouwland van de kuststrook en de hoogvlakten van de Tell-Atlas. De soort is schuw en vlucht vroeg; vanuit een auto is een veel kortere afstand mogelijk dan te voet. Veel waarnemingsprogramma's voeren de soort nog onder Lepus capensis; vermeld bij een waarneming de huidige naam Lepus mediterraneus.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld (NE): de IUCN heeft de soort onder deze naam nog niet beoordeeld, omdat de splitsing van 2019 later is dan de laatste beoordeling van het complex. Op Sardinië is de soort jachtwild en is ze plaatselijk sterk afgenomen door het verdwijnen van het kleinschalige landbouwmozaïek, door grote branden en door stroperij. Daarnaast zijn er generaties lang hazen van elders uitgezet, van het Italiaanse vasteland en uit Oost-Europa, wat de genetische eigenheid van de eilandpopulatie bedreigt. Sardijnse onderzoekers beschouwen de eilandpopulatie daarom als een aparte evolutionaire eenheid die in het beheer als zodanig behandeld zou moeten worden. In Noord-Afrika is de soort algemeen, maar er wordt intensief op gejaagd. Zolang de soort niet onder deze naam in Rode Lijsten en wetgeving is opgenomen, wordt ze in monitoring en bescherming niet afzonderlijk behandeld.

Wetenschappelijke naam

Lepus mediterraneus | J. A. Wagner, 1841

J. A. Wagner beschreef de soort in 1841 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Lepus is het Latijnse woord voor 'haas'. mediterraneus is Latijn voor 'midden in het land, binnenlands', van medius 'midden' en terra 'land'; via de naam van de zee kreeg het de betekenis 'Middellands', waarin Wagner het gebruikte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Sardinië.