Alle soorten › Vleermuizen › Hoefijzerneuzen › Mehely's hoefijzerneus
Mehely's hoefijzerneus | Rhinolophus mehelyi
Mehely’s horseshoe bat | Murciélago mediano de herradura.
Mehely's hoefijzerneus (Rhinolophus mehelyi) is een middelgrote hoefijzerneus, in 1901 door Paul Matschie beschreven naar een dier uit Boekarest en vernoemd naar de Hongaarse zoöloog Lajos Méhely. De soort leeft rond de Middellandse Zee en in Zuidwest-Azië, verblijft vrijwel uitsluitend in grotten en is wereldwijd als kwetsbaar (VU) beoordeeld. Van de paarse hoefijzerneus is ze alleen aan een combinatie van gezichts- en neusbladkenmerken te scheiden.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Het meest zichtbare spoor zijn de dieren zelf: dichte trossen grijsbruine hoefijzerneuzen met een witte buik aan het plafond van een warme grot in de zomer, of van een koelere, diepere grot in de winter. Onder de trossen ligt mest. 's Nachts gebruiken de dieren tijdelijke rustplaatsen tussen jachtrondes, onder andere in boomgroepen. Op de batdetector klinkt een lange toon met constante frequentie rond 109 kHz, met korte frequentiegemoduleerde begin- en eindstukken en een interval tussen de pulsen van gemiddeld 62,5 milliseconden (Griekenland).
Herkenning
Middelgroot, met een onderarm van 48 tot 56 mm en een gewicht van 10 tot 23 g. De rug is grijsbruin (haren bleek grijsbeige met grijsbruine punt), het gezicht lichter, met meestal een donkerbruine vlek rond of onder elk oog, veel donkerder dan bij de paarse hoefijzerneus. De buik is zuiver wit of bijna wit, met een vrij scherpe grens tegen de rug. Een oranje kleurvorm is niet bekend. De oren zijn kort (ongeveer 42 procent van de onderarm) en zonder tragus. Het neusblad: een spiesvormige lancet waarvan de bovenste helft smal is met bijna evenwijdige zijden en een stomp puntje; een driehoekig verbindingsstuk; een rond, naar voren gekanteld zadel met volledig evenwijdige zijden; een smal hoefijzer van 4,9 tot 7,5 mm zonder zijblaadjes. Vleugels en staartvlies zijn grijsbruin. De echolocatie is FM/CF/FM met een constante frequentie van gemiddeld 109 kHz (104–112 kHz); de roepen duren in Europa 20 tot 36 milliseconden. Jonge dieren roepen lager dan volwassen, en dieren in betere conditie hoger.
Gelijkende soorten
De paarse hoefijzerneus (Rhinolophus euryale) is de soort waarmee Mehely's hoefijzerneus het meest verward wordt. De paarse is gemiddeld iets kleiner (onderarm 43–51 mm), heeft een buik die lichter is dan de rug maar nooit bijna wit, hooguit een vage oogtekening, een lancet met rechte zijden en een smal, spits, naar voren gebogen verbindingsstuk. De roepfrequenties overlappen (paarse 100–109 kHz). Blasius' hoefijzerneus (R. blasii) heeft een onderarm van 41 tot 51 mm, een geelachtig wit gezicht met een donkere vlek onder elk oog, een verbindingsstuk in de vorm van een hoge, smalle, spitse hoorn en een wigvormig zadel; ze roept rond 94 kHz. De grote hoefijzerneus (R. ferrumequinum) is groter (onderarm 51–61 mm) en roept rond 82 kHz; de kleine hoefijzerneus (R. hipposideros) is kleiner (35–42,5 mm) en roept rond 110 kHz, binnen het bereik van Mehely's hoefijzerneus. In een kolonie hangen actieve dieren van Mehely's en de paarse hoefijzerneus in dichte trossen tegen elkaar aan; de andere Europese hoefijzerneuzen doen dat niet.
Leefgebied
Mediterraan struweel en bos en droge steppen, sterk gebonden aan water en grotten, van zeeniveau tot ongeveer 2000 m. In het zuidwesten van het Iberisch Schiereiland werd de soort vaak gevonden in halfnatuurlijke eikenboomweiden (dehesa) en meed ze open terrein; daar jaagden mannetjes vooral in oeverbos en loofbos, vrouwtjes in dehesa, struweel en eucalyptusaanplant. In Noord-Afrika leeft ze in mediterraan bos, bergbos en halfwoestijngrasland en struweel, en mijdt ze de kust. Overdag verblijft ze vrijwel uitsluitend in grotten, soms in verlaten mijnen: in de zomer in warme grotten in karstgebieden, in de winter in koelere, diepere grotten met een constant klimaat.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zuid-Europa: het zuiden van het Iberisch Schiereiland, Sardinië, Oost-Sicilië, Zuidoost-Italië, Zuid-Albanië, Oost-Servië, Zuid-Roemenië, Oost-Noord-Macedonië, Bulgarije en Griekenland. Verder Noord-Marokko, Noord-Algerije en Noord-Tunesië, en in Zuidwest-Azië de Kaukasus, Anatolië, Noord-Irak en het Zagrosgebergte. De ondersoort judaicus leeft op Cyprus, in Noord-Syrië, West-Jordanië, Israël, Noordoost-Egypte en Noordoost-Libië. De soort is verdwenen uit Catalonië, Mallorca, het grootste deel van Italië en Kroatië; de meeste Franse vondsten dateren van 1908 tot 1965. In Zuidoost-Italië werd na 1960 opnieuw een mannetje gevonden.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief. De dieren jagen langzaam vliegend en vanaf een zitplaats, dicht bij de grond of dichte begroeiing, en pakken waarschijnlijk ook prooi van blad en bodem. In de meeste streken bestaat het voedsel vooral uit nachtvlinders: in Spanje 80 tot 90 procent van het volume, in Iran 57 tot 88 procent in het voorjaar; daarnaast vliegen, kevers, cicaden, gaasvliegen en kakkerlakken, die in Libië 99 procent van het mestvolume vormden. Paring vindt waarschijnlijk vóór de winterslaap plaats, met uitgestelde bevruchting. Vrouwtjes geven de voorkeur aan mannetjes met hogere roepen. In Algerije worden de jongen in mei en begin juni geboren, één per worp. Vrouwtjes zijn pas in hun derde jaar geslachtsrijp, mannetjes na twee jaar. Buiten de voortplantingstijd hangen mannetjes en vrouwtjes samen, in groepen tot 5000 dieren in de winter; kraamkolonies tellen tot 3000 dieren. De soort is grotendeels honkvast, maar verplaatsingen van meer dan 90 km zijn gemeld. In de winterslaap is de torpor dieper dan in de dagelijkse rust, en in winterverblijven zijn zowel actieve als verstijfde dieren aangetroffen.
Waar en wanneer kijken
De kans is het grootst bij een bekende kolonie in een karstgebied in het zuiden van het Iberisch Schiereiland, Bulgarije of Griekenland, bij de uitvlucht in de schemering. Een roep rond 109 kHz sluit de paarse hoefijzerneus niet uit; een foto van het gezicht en de buik geeft de doorslag: witte buik, donkere vlek rond de ogen en een driehoekig verbindingsstuk wijzen op Mehely's. Het betreden van grotten met kolonies in de kraam- of winterperiode verstoort de dieren; de soort staat onder strikte bescherming.
Staat van instandhouding
Wereldwijd kwetsbaar (VU, 2016). Het areaal is groot maar versnipperd, en de populaties nemen in een groot deel ervan af, om redenen die niet volledig bekend zijn. Sommige kolonies zijn tot een fractie van hun vroegere omvang teruggebracht; het handboek gaat uit van een afname van 30 procent over drie generaties (27 jaar). Genoemde oorzaken zijn verlies en verstoring van leefgebied en verstoring van verblijfplaatsen; in Iran heeft mijnbouw grote kraamkolonies van meerdere soorten vernietigd, in Portugal is verkeer een doodsoorzaak, en klimaatverandering wordt als mogelijke bedreiging genoemd. De soort staat in bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn.
Wetenschappelijke naam
Rhinolophus mehelyi | Matschie, 1901
Matschie beschreef de soort in 1901 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Rhinolophus is Grieks, van rhis, genitief rhinos, 'neus', en lophos 'kam', naar het neusblad. mehelyi eert de Hongaarse zoöloog Lajos Méhely (1862–1953), die kort tevoren een monografie over de hoefijzerneuzen had uitgebracht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Roemenië, Bucharest.






