Alle soorten › Vleermuizen › Hoefijzerneuzen › Kleine hoefijzerneus
Kleine hoefijzerneus | Rhinolophus hipposideros
Lesser horseshoe bat | Murciélago Pequeño de Herradura
De kleine hoefijzerneus (Rhinolophus hipposideros) is de kleinste Europese hoefijzerneus, met een onderarm van 35 tot 42,5 millimeter en een gewicht van 4,7 tot 9 gram. Het Handbook of the Mammals of the World noemt hem de noordelijkst verspreide hoefijzerneus, met vindplaatsen tot 52° N. In het noorden van het areaal brengen de vrouwtjes de zomer door op zolders en in gebouwen en overwinteren de dieren in grotten, mijnen en kelders; in het zuiden gebruikt de soort het hele jaar door ondergrondse ruimten.
Sporen
In een zomerverblijf op een zolder of in een schuur ligt onder de hangplekken mest van kleine vleermuizen, verspreid over meerdere plekken omdat de dieren los van elkaar hangen. De dieren zelf zijn bij daglicht vaak zichtbaar: kleine, donkere, in de vleugels gewikkelde dieren aan balken of langs de nok. In het winterverblijf – een kelder, een kleine grot, een mijngang, een tunnel – hangen ze afzonderlijk aan plafond of wand, volledig in de vleugels gewikkeld en met de poten dicht tegen de ondergrond. In Europa zijn winterverblijven gemeld met temperaturen van 6 tot 9 °C en een hoge luchtvochtigheid. Op de batdetector geeft de soort een lange toon met constante frequentie rond 110 kHz, met korte frequentiegemoduleerde begin- en eindstukken; de roepen duren gemiddeld 42 tot 45 milliseconden.
Herkenning
Een kleine vleermuis met een onderarm van 35 tot 42,5 mm. De rugvacht is licht tot donker, geelbruin tot grijsbruin, de buikzijde vaalgrijs; de haren zijn aan de basis vaal. De oren zijn klein, spits en zonder tragus, zoals bij alle hoefijzerneuzen. Het neusblad: een lange, smalle, wigvormige lancet met stomp puntje, een laag en afgerond verbindingsstuk en een smal zadel met een naar voren en omlaag wijzende punt; het hoefijzer is 5,7 tot 7,3 mm breed en bedekt de snuit bijna geheel. De vlucht is laag, fladderend en wendbaar, dicht langs begroeiing, muren of water, met korte momenten van stilhangen. In rust hangt het dier vrij aan de achterpoten, volledig in de vleugels gewikkeld. De echolocatie bestaat uit FM/CF/FM-roepen met een constante frequentie van gemiddeld rond 110 kHz: 110,6 kHz in Griekenland, 109,6 kHz in Frankrijk, Zwitserland en Groot-Brittannië, 111,5 tot 117,5 kHz in Marokko en 103,5 tot 109,3 kHz in Israël. Vrouwtjes roepen hoger dan mannetjes (in Ierland gemiddeld 4 kHz), jonge dieren lager dan volwassen.
Gelijkende soorten
Binnen de familie is het formaat het eerste kenmerk. De grote hoefijzerneus (Rhinolophus ferrumequinum) heeft een onderarm van 51 tot 61 mm en roept rond 82 kHz. De drie middelgrote soorten – paarse hoefijzerneus (R. euryale, onderarm 43–51 mm), Mehely's hoefijzerneus (R. mehelyi, 48–56 mm) en Blasius' hoefijzerneus (R. blasii, 41–51 mm) – overlappen aan de onderkant nauwelijks met de kleine hoefijzerneus. Op de batdetector ligt de kleine hoefijzerneus met rond 110 kHz het hoogst, maar de paarse hoefijzerneus (100–109 kHz) en Mehely's hoefijzerneus (104–112 kHz) reiken tot in dat bereik; in Zuid-Europa is een roep tussen 104 en 112 kHz daarom zonder aanvullend kenmerk niet aan één soort toe te wijzen. Aan een dier in de hand is het verbindingsstuk van het neusblad beslissend: laag en afgerond bij de kleine hoefijzerneus, spits en naar voren gebogen bij de paarse, driehoekig bij Mehely's en een hoge, smalle, spitse hoorn bij Blasius' hoefijzerneus. Ook de hangwijze helpt: kleine hoefijzerneuzen hangen in een kolonie meestal los van elkaar, op 25 tot 50 cm afstand, terwijl paarse en Mehely's hoefijzerneuzen in actieve toestand in trossen tegen elkaar aan hangen. Alle andere Europese vleermuizen hebben een tragus en geen neusblad.
Leefgebied
In het noorden van het areaal vooral loofbos en half open landschap met bosjes, parklandschap, boerenland, weiden en struweel; in het zuiden oeverbegroeiing, mediterraan en submediterraan struweel, grasland, doornstruweel en ruig bos langs beken. De soort komt voor van zeeniveau tot boven 2100 m en wordt volgens het handboek op grotere hoogte vaker gevonden. De jachtgebieden liggen dicht bij de verblijfplaatsen: zomer- en winterverblijf liggen meestal binnen 5 tot 10 km van elkaar. Voor de zomer gebruikt de soort in het noorden zolders en gebouwen met een vrije invliegopening, in het zuiden ook grotten, tunnels en mijnen; voor de winter koele, vochtige ondergrondse ruimten.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Ierland en Zuidwest-Groot-Brittannië over het Europese vasteland oostwaarts tot Zuid-Oekraïne en Roemenië, het hele Middellandse Zeegebied met veel eilanden (Balearen, Corsica, Sardinië, Sicilië, Malta, Kreta, Cyprus, de Ionische en Egeïsche eilanden), Noord-Afrika van Marokko tot Tunesië en de Sinaï, en verder door de Kaukasus, Turkije en het Midden-Oosten tot Centraal-Azië en Kasjmir. Geïsoleerde vondsten zijn bekend uit Oost-Afrika. Het handboek erkent voorlopig zes ondersoorten, maar de chromosoomvormen (2n = 54, 56 en 58) en de genetische lijnen vallen niet samen met die indeling. Sinds de jaren vijftig is de noordgrens zuidwaarts verschoven: de soort is verdwenen uit Nederland, het grootste deel van België en het westen van Duitsland. In Zwitserland en Oostenrijk is de verspreiding versnipperd en resten alleen kolonies boven 400 m.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De dieren verlaten het verblijf rond de schemering en jagen laag en langzaam, meestal in de vlucht, maar pakken ook prooi van stenen en bladeren, waaronder niet-vliegende larven. Het voedsel bestaat in Europa vooral uit kleine nachtvlinders en muggen, aangevuld met gaasvliegen, schietmotten, kevers en spinnen; in Slowakije bestond 87 procent van het mestvolume uit kleine vlinders. Zes gezenderde vrouwtjes op een eiland in de Chiemsee jaagden gemiddeld 229 minuten per nacht, vooral in bos, over een gebied van 6,8 tot 62,7 ha. Paring vindt plaats in de herfst of in het winterverblijf; het sperma wordt bewaard tot maart-april. Tussen half juni en begin juli wordt meestal één jong geboren (in Iran kreeg 35 procent van de vrouwtjes een tweeling); het vliegt na 18 tot 20 dagen en is na 4 tot 5 weken gespeend. Kraamkolonies tellen 10 tot 1500 vrouwtjes; mannetjes leven apart. De winter wordt doorgebracht in winterslaap, alleen of in groepen tot 500 dieren. De grootste gemeten verplaatsing is 152 km, de hoogste leeftijd 21 jaar en drie maanden.
Waar en wanneer kijken
De uitvliegtijd rond zonsondergang bij een bekende kraamzolder of een grotingang geeft de beste kans: de dieren vliegen laag weg, langs een haag of muur. Een detector die tot boven 110 kHz reikt, maakt de determinatie sluitend in gebieden waar geen middelgrote hoefijzerneuzen voorkomen; in Zuid-Europa is daarnaast een foto van het neusblad nodig. Een winterverblijf betreden tussen oktober en april is in de meeste landen niet toegestaan, en elke verstoring doet een slapend dier ontwaken en verbruikt vetreserve. Winteronderzoek gebeurt door bevoegde tellers.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016); in Europa en het Middellandse Zeegebied regionaal als gevoelig (NT) aangemerkt. In het noorden van Europa is de soort de afgelopen vijftig jaar sterk achteruitgegaan en is de noordgrens verschoven; volgens het handboek gaat die achteruitgang door, maar trager. In Zwitserland steeg het aantal volwassen dieren in kraamkolonies in tien jaar van 2200 naar 2500. Genoemde oorzaken zijn verstoring en vernietiging van ondergrondse verblijven en zolders, bijvoorbeeld bij restauratie van oude gebouwen, verandering en intensivering van de landbouw, versnippering van het leefgebied en bestrijdingsmiddelen. De soort staat in bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Rhinolophus hipposideros | (André, 1797)
André beschreef de soort in 1797 als Noctilio Hipposideros; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Rhinolophus is Grieks, van rhis, genitief rhinos, 'neus', en lophos 'kam', naar het neusblad. hipposideros is Grieks voor 'paardenijzer', dat wil zeggen hoefijzer, van hippos 'paard' en sidēros 'ijzer', naar het neusblad — hetzelfde beeld als het Latijnse ferrumequinum. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.






