Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Meriones crassus

Meriones crassus | Meriones crassus

Sundevall’s jird | Meriones crassus

Meriones crassus is een zandmuis van de Sahara en de woestijnen van het Midden-Oosten, verspreid van de Atlantische kust van Marokko tot voorbij de Perzische Golf. In open woestijn is het vaak het eerste knaagdier dat 's nachts in het licht van een lamp wordt gezien. De soort is nomadisch: wanneer het voedsel opraakt, verplaatst de populatie zich, en ze komt ook ver van begroeiing voor.

Meriones crassus (Meriones crassus)
Foto: Alidz31 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het hol is het opvallendste spoor: een stelsel met tot achttien ingangen, tot twaalf meter lang en één tot twee meter diep, al ligt het gemiddelde in Marokko veel ondieper, rond veertig centimeter. Veel gangen zijn blind en eindigen vlak onder het oppervlak. De nestkamer is bekleed met droog, fijngeknaagd plantenmateriaal, en in een aparte kamer ligt de voedselvoorraad. Verlaten stelsels worden door nieuwe bewoners opnieuw gebruikt; een hol met scherpe, verse zandwaaiers is bewoond, een hol met dichtgewaaide, gladde ingangen niet. Het spoor in fijn zand is dat van een viervoetig lopend dier, niet van een springer: vier tenen voor, vijf achter, prenten van anderhalf tot twee centimeter, bij rustig lopen met een duidelijke sleepstreep van de staart. Keutels zijn zwart, glanzend, drie tot vijf millimeter, en liggen verspreid bij de ingangen. Rond bewoonde holen liggen afgebeten stengels en zaadresten van kolokwint, Anabasis of zoutmelde, en soms dekschilden en poten van sprinkhanen. De soort trommelt met de achtervoeten op de grond, een droog, ritmisch geroffel dat op een stille nacht tientallen meters ver te horen is, vooral wanneer een waarnemer dicht bij een holingang staat.

Meriones crassus, holingang in los zand, met de bewoner in de opening: de trechtervormige mond en de uitgegraven zandhelling eromheen zijn het gewoonste teken van deze soort — één stelsel kan tot achttien van zulke ingangen hebben
Holingang in los zand, met de bewoner in de opening: de trechtervormige mond en de uitgegraven zandhelling eromheen zijn het gewoonste teken van deze soort — één stelsel kan tot achttien van zulke ingangen hebben · Foto: Broobas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Meriones crassus, 's nachts op de losse steenplaten van een wadi in de anti-atlas, marokko — het rotsige deel van zijn leefgebied; de zijaanzicht toont de grijze rug, de witte buik en de donkere staartpluim
's Nachts op de losse steenplaten van een wadi in de Anti-Atlas, Marokko — het rotsige deel van zijn leefgebied; de zijaanzicht toont de grijze rug, de witte buik en de donkere staartpluim · Foto: Torsten Pröhl — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een stevige, grijs-zandkleurige zandmuis met een staart die ongeveer even lang is als kop en romp en eindigt in een grijsbruine tot kastanjebruine kwast; het basale deel van de staart is vuilwit, zodat de donkere kwast er scherp tegen afsteekt. De rug is grijs met een zandkleurige zweem, de buik wit. De klauwen zijn ivoorwit, wat bij een dier in het licht van een lamp goed te zien is. De zolen van de achtervoeten zijn gedeeltelijk behaard, maar de hiel is kaal, met een scherpe grens tussen beide. Oren 14 tot 22 millimeter, achtervoet 30 tot 38. Het gewicht bedraagt 55 tot 158 gram; de zwaarste dieren zijn gedrongen gebouwd.

Gelijkende soorten

De Libische zandmuis (Meriones libycus) komt in dezelfde woestijnen voor en lijkt het meest op deze soort; ze is forser gebouwd, heeft een zwaardere schedel en vooral een veel beter ontwikkelde, donkerdere staartkwast. Bij M. crassus is bovendien de hiel kaal met een scherpe haargrens. Shawwoestijnmuis (Meriones shawii) is groter en warmbruin in plaats van grijs, en leeft in graanland en oases, terwijl M. crassus in open woestijn voorkomt. Buxtons zandmuis (Meriones sacramenti) is duidelijk zwaarder, roodachtig zandkleurig en beperkt tot de kustduinen en de Negev. Turkse zandmuis (Meriones tristrami) vervangt de soort noordelijker, in steppe met meer dan honderd millimeter neerslag per jaar, en heeft een kortere staart met een zwak ontwikkelde kwast. Van de veel kleinere renmuizen (Gerbillus) verschilt de soort in formaat: een dier van honderd gram is geen renmuis. De vetzandrat (Psammomys obesus) is overdag actief, heeft een kortere staart, is zwaarder gebouwd en leeft op zoutplanten.

Leefgebied

Vooral een Saharaanse soort, maar ook in droge steppe. Zandige bodems hebben de voorkeur, maar de soort komt ook voor in rotsige wadi's en op hamada's, kale, harde steenplateaus met zeer weinig begroeiing. Ze kan zich ver van begroeiing verwijderen. In Zuid-Tunesië komt ze tot in de randen van het landbouwgebied. Hoogteligging speelt nauwelijks een rol; open, droog land met een vergraafbare bodem is bepalend.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Marokko en Mauritanië oostwaarts door de hele Sahara tot Egypte en Noordoost-Soedan, en verder door het Midden-Oosten tot Zuid-Turkmenistan, West- en Zuid-Afghanistan en West-Pakistan. In het noorden van het areaal omvat dat de hele Noord-Afrikaanse woestijngordel (Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Egypte) en daarnaast de Sinaï, de Negev, de Arava en Jordanië. Ze is een van de wijdst verspreide zandmuizen; de Libische zandmuis (Meriones libycus) heeft een nog groter areaal, van de Westelijke Sahara tot West-China.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief en uitsluitend op de grond levend; de dieren komen ongeveer een uur na het invallen van de duisternis boven. Nomadisch: wanneer het voedsel opraakt of schaars wordt, verplaatst de hele populatie zich, over gemelde afstanden tot tien kilometer. Niet koloniaal; de dieren leven afhankelijk van de omstandigheden solitair of in losse groepjes. Het voedsel verschilt per gebied: in Arabië acacia, kolokwint en zaden van Medicago, aangevuld met sprinkhanen; in Iran zaden van harmelkruid; in Egypte Cassia, kolokwint, Anabasis articulata en Zilla; in Israël vooral zoutmelde (Atriplex halimus) en Moricandia nitens. De stofwisseling maakt concentratie en hergebruik van water mogelijk, en de soort verdraagt sterke uitdroging. Voedsel wordt in aparte holkamers opgeslagen. De draagtijd is 21 tot 31 dagen, de worp drie tot zeven jongen; de meeste worpen vallen in het voorjaar en de vroege zomer. De jongen zijn de eerste twee weken naakt en blind, worden na een maand gespeend en zijn na ongeveer twee maanden volwassen. Geen winterslaap. De dieren communiceren met voettrommelen en reageren op harde ultrasone geluiden.

Waar en wanneer kijken

Rijd een uur na zonsondergang stapvoets over een zandpad of piste door open woestijn, met een medereiziger die met een lamp meekijkt: deze soort wordt dan het vaakst overstekend gezien, met de lichte staartbasis en de donkere kwast. Overdag kunnen op zandvlakten holstelsels worden opgezocht; een stelsel met ongeveer tien ingangen op enkele vierkante meters is duidelijk herkenbaar, en verse zandwaaiers geven aan of het bewoond is. Na zonsondergang is bij zo'n stelsel het trommelen te horen. In Zuid-Marokko, Zuid-Tunesië en de Negev komt de soort in geschikt terrein algemeen voor; de dichtheden lopen van een tiende tot elf dieren per hectare en verschillen sterk tussen nabijgelegen vlakten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016); er zijn geen bedreigingen bekend. De soort is in geschikt terrein plaatselijk talrijk en profiteert van de randen van het landbouwgebied in Zuid-Tunesië. Zoals bij veel woestijnknaagdieren schommelen de aantallen sterk met de neerslag: na een nat jaar ontstaat een grote populatie die in het volgende droge jaar weer instort, zodat een enkele telling vooral de weersomstandigheden weerspiegelt. De soort is een belangrijke prooi voor woestijnuilen, slangen en kleine katachtigen.

Wetenschappelijke naam

Meriones crassus | Sundevall, 1843

Sundevall beschreef de soort in 1843 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Meriones is de naam van Meriones, de Kretenzische held uit de Ilias; die naam hoort zelf bij het Griekse mēros 'dij'. Waarom Illiger hem aan een renmuis gaf zegt hij niet. crassus is Latijn voor 'dik, gedrongen', naar de zwaardere bouw tegenover de andere renmuizen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Sinaï.