Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Myotis crypticus

Myotis crypticus | Myotis crypticus

Cryptic Myotis | Myotis crypticus

Myotis crypticus is een van de soorten waarin de franjestaart (M. nattereri) in de afgelopen twintig jaar op grond van DNA is opgesplitst. De vorm werd eerst in de literatuur aangeduid als Myotis sp. A; Ruedi, Ibáñez, Salicini, Juste en Puechmaille beschreven haar formeel in 2019, met een typelocatie in een grot in La Rioja, Noord-Spanje. Onderarm 36,3 tot 42 mm. Zij is de naaste verwant van de franjestaart in strikte zin en leeft in de bergbossen van Noord-Spanje, Zuidoost-Frankrijk, de Alpen en Italië. Uiterlijk is zij niet met zekerheid van de franjestaart te onderscheiden.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Uitwendige sporen zijn er nauwelijks. Kraamkolonies van enkele tientallen dieren zitten in holle bomen en in verlaten gebouwen, anders dan bij M. escalerai, die aan grotten gebonden is. Bij bepaalde zwermplaatsen op 200 tot 1500 m hoogte, in Zwitserland, Frankrijk, Spanje en Italië, verzamelen zich in het najaar grote aantallen; vangst bij zulke plaatsen, met DNA-onderzoek, levert de meeste gegevens op.

Herkenning

Kop-romp 40 tot 50 mm, staart 32 tot 46 mm, oor 14,1 tot 17,1 mm, onderarm 36,3 tot 42 mm, gewicht 5 tot 12 gram. Een middelgrote Myotis met de kenmerken van het franjestaartcomplex: een rand van stijve haren langs de achterrand van het staartvlies en een lang, S-vormig gebogen spoorbeen. De rug is bruin tot grijs, de buik lichtgrijs tot witachtig; de haren zijn lang en ruig, met donkere basis en lichte punten. De oren zijn relatief lang, steken voorbij de neuspunt als ze naar voren worden gelegd en hebben meerdere plooien aan de buitenrand. De tragus is spits en langer dan de helft van het oor. Het gezicht is kaal en roze, vooral rond de ogen, met een smalle, lange snuit. De voeten zijn klein, korter dan de helft van het scheenbeen. De vleugel is aan de basis van de teen aangehecht. Voor de roep van deze soort afzonderlijk zijn in de geraadpleegde bronnen geen maten gepubliceerd; binnen het complex als geheel is de roep kort en sterk frequentiegemoduleerd, met een zeer breed frequentiebereik.

Gelijkende soorten

Alle maten overlappen volledig met die van de andere soorten van het franjestaartcomplex; volgens de beschrijving zijn de soorten alleen in een combinatie van veel schedel- en lichaamsmaten statistisch te scheiden. Van de franjestaart (M. nattereri in strikte zin), haar zustersoort, is zij uitwendig niet te onderscheiden; zij is gemiddeld iets kleiner, met een smallere schedel, maar die verschillen overlappen. Waar de verspreidingsgebieden elkaar raken, in de Alpen en Frankrijk, is DNA nodig. Van M. escalerai, waarmee zij in de bergbossen van de noordelijke helft van het Iberisch Schiereiland samen voorkomt, verschilt zij in de hand: bij M. crypticus staat langs de rand van het staartvlies één rij korte, naar buiten gerichte haren, bij M. escalerai een rij naar binnen en een kortere rij naar buiten gerichte haren; bij M. crypticus is de vleugel aan de basis van de teen aangehecht, bij M. escalerai aan de middenvoet. Op Corsica leeft M. nustrale, met een donkere kinvlek. Met de roep zijn de soorten van het complex niet van elkaar te scheiden. Andere Myotis-soorten missen de rand van stijve haren aan het staartvlies.

Leefgebied

Berggebieden, waarschijnlijk verschillende typen bos zoals eiken- en beukenbos, open plekken voor beweiding en alpenweiden, tot ongeveer 2000 m. De soort jaagt dicht bij de vegetatie in dicht, gesloten leefgebied. Verblijven liggen in boomholten en gebouwen; zwermplaatsen zijn ondergronds.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Noord- en Centraal-Spanje, Zuidoost-Frankrijk, Italië inclusief Sicilië, en Zuidwest-Oostenrijk. Genetisch onderzoek bevestigt de soort ook in de westelijke Alpen, waaronder Zwitserland. De noordgrens van het verspreidingsgebied is niet bekend. Het handboek noemde een mogelijk voorkomen op Corsica en Sardinië; de Corsicaanse populatie is in 2023 als M. nustrale beschreven. Omdat oudere gegevens van de franjestaart in dit gebied niet op DNA berusten, is het werkelijke areaal onvolledig bekend.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De soort pikt haar prooien waarschijnlijk van oppervlakken, jagend dicht bij de vegetatie en in kleine ruimtes waar grote wendbaarheid nodig is. Prooien zijn waarschijnlijk ongewervelden zoals spinnen en rupsen, van bladeren of van de grond. In de kraamtijd verblijven de vrouwtjes in holle bomen en verlaten bouwwerken, in kolonies van enkele tientallen dieren. In het najaar zwermen de dieren in grote aantallen bij vaste plaatsen. Over voortplanting, overwintering en levensduur zijn voor deze soort afzonderlijk weinig gegevens gepubliceerd; veel literatuur van vóór 2019 maakt geen onderscheid met de franjestaart.

Waar en wanneer kijken

Een vleermuis met een rand van stijve haren langs het staartvlies hoort bij het franjestaartcomplex; binnen het complex bepaalt de vindplaats welke soorten in aanmerking komen, en DNA welke het is. Let in Noord-Spanje op de aanhechting van de vleugel en de rijen haren aan het staartvlies. Vangen en hanteren van vleermuizen is overal in de Europese Unie vergunningplichtig.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op de mondiale Rode Lijst, beoordeeld in 2023. De beschrijvers wezen erop dat drie van de vier soorten waarin het complex toen werd verdeeld een beperkt areaal hebben en beschermingsmaatregelen nodig hebben. Verspreiding en populatiegrootte zijn grotendeels onbekend, en de bossen waarin de soort leeft staan onder druk van menselijk gebruik. In de Europese Unie valt zij, zoals alle vleermuizen, onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn.

Wetenschappelijke naam

Myotis crypticus | Ruedi, Ibáñez, Salicini, Juste, & Puechmaille in Juste, Ruedi, Puechmaille, Salicini, & Ibáñez, 2019

Ruedi, Ibáñez, Salicini, Juste, & Puechmaille in Juste, Ruedi, Puechmaille, Salicini, & Ibáñez beschreef de soort in 2019 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. crypticus is Latijn voor 'verborgen', uit het Griekse kryptos: een cryptische soort, die lang niet van Myotis nattereri werd onderscheiden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Spanje, La Rioja.