Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Capaccini's vleermuis
Capaccini's vleermuis | Myotis capaccinii
Long-fingered bat | Murciélago Ratonero Patudo
Capaccini's vleermuis is een grotbewonende Myotis van het Middellandse Zeegebied, die boven open, rustig water jaagt en prooien met de grote achtervoeten van het wateroppervlak pakt. De soort leeft het hele jaar in grotten en mijnen, vaak samen met de langvleugelvleermuis en andere grotbewoners, en staat sinds 2016 als kwetsbaar op de mondiale Rode Lijst.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De verblijven zijn grotten en mijnen, meestal gedeeld met andere grotbewonende vleermuizen. Onder een kraamkolonie ligt een laag mest. In de winter hangen de dieren alleen of in trossen in grotten, kelders en bunkers; trossen bestaan vooral uit mannetjes, alleen hangende dieren zijn vaker vrouwtjes. Boven water is de soort op warme avonden te zien terwijl ze in grote cirkels vlak boven het wateroppervlak vliegt en met de voeten in het water tikt.
Herkenning
Een middelgrote Myotis: onderarm 38 tot 44 mm, gewicht 7 tot 10 gram. Het kenmerk zijn de grote, sterke achtervoeten, half zo lang als het scheenbeen en bezet met lange, stijve haren. Als enige Europese Myotis heeft de soort een vleugel die aan het uiteinde van het scheenbeen is vastgehecht, niet aan de tenen. Staartvlieghuid en scheenbeen zijn aan de onderkant dicht bruin behaard. De vacht is zacht, dicht en zijdeachtig, bleek bruingrijs op de rug en wit tot geelachtig op de buik; jonge dieren zijn donkerder en bruiner. De oren zijn grijsbruin en vrij kort, met een licht ingekeepte buitenrand; de tragus is S-vormig met een stomp gepunte top en reikt tot ongeveer de helft van de oorhoogte. De neusgaten steken iets uit; de gezichtshuid is roodbruin tot donkergrijs. De echolocatie bestaat uit breedbandige frequentiegemoduleerde signalen die bij 70 tot 90 kHz beginnen, bij 34 tot 39 kHz eindigen en de meeste energie hebben rond 47 tot 50 kHz.
Gelijkende soorten
De watervleermuis (M. daubentonii) jaagt op dezelfde manier en lijkt in vorm en kleur op Capaccini's vleermuis, maar haar vleugel is aan de basis van de buitenste teen vastgehecht, haar scheenbeen en staartvlieghuid zijn niet dicht behaard en haar voeten zijn relatief kleiner. De meervleermuis (M. dasycneme), een soort van Midden- en Oost-Europa, is groter (onderarm 43 tot 49 mm), heeft de vleugel aan de hiel vastgehecht en komt in het areaal van Capaccini's vleermuis nauwelijks voor. In grotten hangt de soort vaak tussen langvleugelvleermuizen (Miniopterus schreibersii), die een korte, gewelfde kop en kleine, driehoekige oren hebben, en tussen andere Myotis- en hoefijzerneussoorten. Op de batdetector zijn de signalen van jagende dieren boven water niet betrouwbaar van die van de watervleermuis te scheiden.
Leefgebied
Karstgebieden met brede, langzaam stromende rivieren, grote meren en kalkrivieren, verder moerassen en struweel, steeds met open, vegetatievrij water, tot ongeveer 1200 m. De soort leeft vooral in gebieden met een mediterraan klimaat. Voor de verplaatsing tussen verblijf en jachtgebied worden groene corridors en lijnvormige elementen zoals randen en paden gebruikt; ook bos en struweel buiten het water dienen soms als jachtgebied. De verblijven liggen in grotten en mijnen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Mediterrane landen ten zuiden van ongeveer 46°N, vanaf het oosten van het Iberisch Schiereiland, met Noord-Afrika en de grote eilanden (Balearen, Corsica, Sardinië, Sicilië, Kreta); de vorm M. c. bureschi in het westen en zuiden van Turkije, Cyprus, Syrië, Libanon, Israël, Irak en West-Iran. Genetisch onderzoek wijst op twee ondersoorten, maar niet alle populaties zijn onderzocht. Uit Zuid-Zwitserland en Noord-Italië is de soort verdwenen, en in veel delen van het areaal zijn de winterverblijven niet bekend.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Capaccini's vleermuis jaagt boven open, rustig water door te 'slepen': zij vliegt in grote cirkels vlak boven het wateroppervlak en pakt prooien met de voeten of met de staartvlieghuid. Het voedsel bestaat vooral uit tweevleugeligen en schietmotten, daarnaast nachtvlinders en vliesvleugeligen; ook kleine vissen, zoals muskietenvisjes, worden gevangen. De dieren kunnen trillingen aan het wateroppervlak waarnemen, en het vangstsucces is hoger boven rustig water zonder vegetatie. 's Nachts vliegen ze meer dan 20 km naar hun jachtgebied, soms over zee. Kraamkolonies van 30 tot 600 dieren zitten in grotten en mijnen, in het oosten van het areaal soms meer dan 2000. De jongen, één per worp, worden tussen eind mei en eind juni geboren en jagen vanaf eind juli zelfstandig. Vrouwtjes zijn in hun eerste jaar geslachtsrijp, mannetjes in hun tweede. De paring vindt in de herfst plaats bij zwermplaatsen en in de winterverblijven. De winterslaap wordt doorgebracht bij temperaturen van 5 tot 10 °C; grote winterkolonies kunnen duizenden dieren tellen. Verplaatsingen tussen zomer- en winterverblijf zijn meestal niet groter dan 100 tot 150 km.
Waar en wanneer kijken
De soort is het best te zien op zomeravonden boven een rustig meer, stuwmeer of brede rivier in de buurt van bekende grotten: de dieren vliegen laag over het water en zijn in het licht van een zwakke lamp van opzij te volgen. Omdat de watervleermuis in delen van het areaal op dezelfde plekken jaagt, geeft alleen de combinatie van kenmerken van een dier in de hand uitsluitsel. Grotten met kolonies worden in de kraamtijd en in de winter niet betreden.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2016). De soort kan plaatselijk talrijk zijn, maar de populaties nemen af en zijn sterk versnipperd; in Spanje is een afname van 30 tot 50 % in tien jaar gemeld. Genoemde oorzaken zijn vervuiling of het verdwijnen van waterlopen (vooral in karstgebieden), grootschalig pesticidengebruik in de landbouw, aantasting van oeverbos, stedelijke uitbreiding, toerisme en verstoring in grotten; het noorden van het areaal is het sterkst getroffen. In Noord-Afrika wordt de soort voor traditionele geneeskunde verzameld. De soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn, zodat voor haar speciale beschermingszones moeten worden aangewezen, en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Myotis capaccinii | (Bonaparte, 1837)
Bonaparte beschreef de soort in 1837 als Vespertilio Capaccinii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. capaccinii eert een Capaccini: Bonaparte noemde het dier in zijn Iconografia della fauna italica 'Vespertilione del Capaccini' zonder verdere toelichting, en wie hij eerde is niet opgehelderd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Sicilië.






