Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Myotis hoveli

Myotis hoveli | Myotis hoveli

Hovel's Myotis | Myotis hoveli

Myotis hoveli is de soort van het franjestaartcomplex in de Levant, op Cyprus en in Zuid- en Oost-Anatolië. Harrison beschreef haar in 1964 als ondersoort van de franjestaart, M. nattereri hoveli, met Aqua Bella bij Jeruzalem als typelocatie. Genetisch onderzoek van Çoraman en collega's (2019) en van Uvizl en Benda (2021) liet zien dat de franjestaarten van het Midden-Oosten tot verschillende lijnen behoren; de Mammal Diversity Database voert M. hoveli sindsdien als soort. Het handboek behandelde haar in 2019 nog als ondersoort, in afwachting van verder onderzoek. Over deze vorm afzonderlijk is weinig gepubliceerd.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Voor deze soort afzonderlijk zijn geen verblijfplaatsen, kolonies of andere aanwijzingen beschreven in de geraadpleegde bronnen. Uitwendige sporen zijn er nauwelijks, en de roep is binnen het complex niet op soort te brengen.

Herkenning

Een afzonderlijke beschrijving met maten is in de geraadpleegde bronnen niet te vinden; het handboek neemt haar op onder de franjestaart en geeft geen aparte maten. Wat voor het franjestaartcomplex als geheel geldt: een middelgrote Myotis met een rand van stijve haren langs de achterrand van het staartvlies, een S-vormig spoorbeen, lange oren met plooien in de buitenrand, een spitse tragus langer dan de helft van het oor, een kaal, roze gezicht, een bruine tot grijze rug en een lichtgrijze tot witachtige buik. Uvizl en Benda onderscheidden in het Midden-Oosten drie morfotypen die vooral in grootte verschillen, naast genetische lijnen. Roepgegevens voor deze soort afzonderlijk zijn niet gepubliceerd.

Gelijkende soorten

In het Midden-Oosten komen vier soorten van het complex voor, volgens Uvizl en Benda in allopatrie of parapatrie: de franjestaart (M. nattereri in strikte zin) alleen in West-Anatolië en op Samos, M. hoveli in de Levant, op Cyprus, in Zuid-Anatolië en in de bergen van Oost-Turkije en Noord-Irak, M. tschuliensis in een gordel van de Krim via de Kaukasus en Noord-Iran tot Turkmenistan, en M. schaubi alleen in Iran en Armenië. De vindplaats is daarom de eerste aanwijzing; waar de gebieden elkaar raken, en in Turkije in het algemeen, is een uitwendig kenmerk voor het onderscheid niet beschreven en is DNA nodig. Omdat binnen het complex meermaals mitochondriaal DNA tussen lijnen is uitgewisseld, kan een determinatie op alleen mitochondriaal DNA misleiden. Volgens de Mammal Diversity Database is M. hoveli mogelijk parafyletisch ten opzichte van M. schaubi, en misschien daarmee één soort. De rand van stijve haren aan het staartvlies onderscheidt het complex van andere Myotis-soorten in de regio.

Leefgebied

In Syrië is de soort beperkt tot het berggebied van de kustregio en het zuidwesten. Uvizl en Benda vonden haar ook in de bergen van Oost-Turkije en Noord-Irak. Verdere gegevens over het leefgebied van deze vorm afzonderlijk zijn niet gepubliceerd; de franjestaart in strikte zin leeft vooral in bos en bosrijk halfopen landschap, maar of dat ook voor deze soort geldt, is niet onderzocht.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Israël, Jordanië, Libanon, Palestina, Syrië, Cyprus en Zuid-Turkije, en de bergen van Oost-Turkije en Noord-Irak. In Syrië geldt de soort als zeldzaam en plaatselijk; oudere vondsten komen van Qal'at Salah ad-Din, Tell Shhab, Serghaya, Yabroud, Qal'at Al-Marqab en de berg Hermon. De soort wordt als monotypisch behandeld. Omdat oudere gegevens uit dit gebied onder M. nattereri staan, moet het areaal uit genetisch onderzochte dieren worden afgeleid.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Over voedsel, jachtwijze, voortplanting, overwintering en levensduur van deze soort afzonderlijk zijn in de geraadpleegde bronnen geen gegevens gepubliceerd. De soorten van het franjestaartcomplex pakken hun prooien, vooral spinnen, rupsen en vliegen, grotendeels van bladeren en de grond, maar voor deze vorm is dat niet onderzocht.

Waar en wanneer kijken

Een vleermuis met een rand van stijve haren langs het staartvlies in Israël, Libanon, Syrië, Jordanië of op Cyprus is volgens de huidige indeling deze soort. Door het geringe aantal gegevens voegt elke gedocumenteerde waarneming, met vindplaats en zo mogelijk DNA, iets toe aan de kennis van het areaal. Op Cyprus is vangen en hanteren van vleermuizen vergunningplichtig.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld (NE) op de mondiale Rode Lijst; de soort is sinds de afsplitsing nog niet afzonderlijk beoordeeld. Gegevens over aantallen, trend en bedreigingen ontbreken. Op Cyprus valt zij, zoals alle vleermuizen in de Europese Unie, onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn.

Wetenschappelijke naam

Myotis hoveli | D. L. Harrison, 1964

D. L. Harrison beschreef de soort in 1964 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. hoveli eert een Hovel, vermoedelijk iemand die Harrison het materiaal uit Jeruzalem bezorgde; de beschrijver licht de naam niet toe en de man is niet thuisgebracht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Israël, Jerusalem.