Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Vale vleermuis

Vale vleermuis | Myotis myotis

Greater mouse-eared bat | Murciélago Ratonero Grande

De vale vleermuis is de grootste vleermuis van Europa. Zij vangt haar prooi grotendeels niet in de lucht, maar pakt die van de bosbodem, vooral loopkevers. Kraamkolonies bevinden zich in Midden-Europa op zolders en in Zuid-Europa in grotten; de winter wordt doorgebracht in grotten en groeven. De zustersoort, de kleine vale vleermuis, is uiterlijk vrijwel gelijk.

Vale vleermuis (Myotis myotis)
Foto: Ryzhkov Sergey — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Kraamkolonies zijn te herkennen aan de mest op de vloer van de verblijfplaats. Een kraamkolonie telt honderden tot vele honderden dieren en laat op de zoldervloer een laag mest achter, soms centimeters dik, direct onder de hangplaats; de ruimte ruikt scherp naar ammoniak, en de balken zijn onder de hangplaats donker en glad gesleten. De mest is groot voor een vleermuis, ruim een centimeter lang, zwart en bros, en verkruimelt tot gruis waarin onder een loep veel glanzende, blauwzwarte deeltjes van loopkeverpantsers zichtbaar zijn; dat is kenmerkend voor deze soort. Onder een vaste eetplaats, zoals een balk in een schuur, een portiek of een overhangende rots, liggen dekschilden, halsschilden en poten van grote loopkevers, vaak van Carabus, bij elkaar in een klein hoopje. Vlindervleugels zijn er veel minder dan onder eetplaatsen van hoefijzerneuzen. In groeven en grotten hangen de dieren zelf: groot, met lichte buik, vaak vrij aan het gewelf in losse groepjes, soms in trossen van tientallen; het silhouet met de brede oren is op ongeveer vijf meter te herkennen. Op de batdetector geeft de soort een droge, harde tik, laag en breedbandig; Myotis-soorten zijn echter op geluid alleen niet van elkaar te onderscheiden, zodat detectorwaarnemingen bij dit geslacht niet volstaan voor determinatie.

Vale vleermuis, dikke banen mest tussen de zolderbalken onder een kraamkolonie, namen, belgië
Dikke banen mest tussen de zolderbalken onder een kraamkolonie, Namen, België · Foto: Gilles San Martin — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Vale vleermuis, kraamkolonie dicht opeen langs een zolderbalk, met één dier in de vlucht
Kraamkolonie dicht opeen langs een zolderbalk, met één dier in de vlucht · Foto: MissMhisi — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Vale vleermuis, kop van voren in een tunnel, sierra de andújar, spanje: brede snuit zonder lichte voorhoofdsvlek en oren die tot voorbij de neus reiken
Kop van voren in een tunnel, Sierra de Andújar, Spanje: brede snuit zonder lichte voorhoofdsvlek en oren die tot voorbij de neus reiken · Foto: Bouke ten Cate — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een grote, zware vleermuis: de onderarm meet 55 tot 67 mm en het gewicht bedraagt 28 tot 40 gram. De rug is licht grijsbruin en enigszins vaal, waarnaar de naam verwijst, en de buik is vuilwit tot zuiver wit en scherp van de rug afgegrensd, wat bij een hangend dier op enkele meters afstand zichtbaar is. Het gezicht is roze tot vleeskleurig en vrijwel kaal. De oren zijn groot, breed en lang, met een lange, spitse tragus van ongeveer de halve oorlengte; oren en snuit liggen ten grondslag aan de Engelse en Spaanse naam. De vleugels zijn breed; de vlucht is zwaar, traag en recht, meestal laag boven de grond, met een zoekende, bijna zwevende vleugelslag. In een verblijfplaats hangt het dier vaak vrij, in de open ruimte onder de nok of aan een gewelf; in het winterverblijf zowel vrij als in spleten.

Gelijkende soorten

Dit is een van de moeilijkst te onderscheiden soortenparen van Europa. De kleine vale vleermuis (Myotis blythii) is de zustersoort in het zuidelijke deel van het areaal (Iberië, Zuid-Frankrijk, Italië, de Balkan, het Nabije Oosten); op het Iberisch Schiereiland komen beide soorten vrijwel overal samen voor. De soorten verschillen alleen in gemiddelden: de kleine vale vleermuis is gemiddeld iets kleiner, heeft een gemiddeld kortere snuit en vaak een lichte vlek midden op de kruin. De verdelingen overlappen, de twee delen grotten en kraamkolonies, en er zijn hybriden aangetoond. Zonder maten, en meestal ook met maten, is een individueel dier in het zuiden van het areaal niet met zekerheid op naam te brengen; noteer het dan als Myotis myotis/blythii. Andere grote soorten zijn wel te onderscheiden: de laatvlieger is donkerbruin met een donker gezicht en jaagt hoog en rechtlijnig langs boomkruinen; de rosse vleermuis is roodbruin met korte, ronde oren en vliegt hoog in het open luchtruim; de grootoorvleermuizen hebben oren die bijna zo lang zijn als het lichaam. Van de hoefijzerneuzen verschilt de soort door het ontbreken van een neusblad en de aanwezigheid van een tragus.

Leefgebied

Jachtgebied en verblijfplaats stellen verschillende eisen. Voor de jacht is een kale, open bodem nodig waarop lopende loopkevers hoorbaar zijn: oud beuken- en eikenbos zonder ondergroei, open naaldbos met naaldenstrooisel, en vers gemaaid of kort beweid grasland. Een dichte kruidlaag maakt een gebied ongeschikt. Als verblijfplaats zijn in het noorden van het areaal grote, warme, tochtvrije zolders nodig, zoals van kerken, kloosters, kastelen en schuren, terwijl in Zuid-Europa de kraamkolonies in grotten hangen. De winter wordt doorgebracht in grotten, mergelgroeven, mijnen en ijskelders met een hoge luchtvochtigheid en een stabiele temperatuur.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Midden- en Zuid-Europa, van Noord-Spanje en Italië tot Polen en Oekraïne; de noordgrens loopt door Nederland, Duitsland en Polen. In Groot-Brittannië is de soort in 1990 uitgestorven verklaard; sinds 2002 overwintert daar jaarlijks één mannetje in West Sussex. In Nederland zijn de kraamkolonies verdwenen, maar de mergelgroeven van Zuid-Limburg vormen nog een van de belangrijkste overwinteringsplaatsen van Noordwest-Europa, met dieren die de zomer in België en Duitsland doorbrengen. In België leeft een kleine populatie in Wallonië en Limburg. Ten zuiden van de Ardennen neemt de soort snel in aantal toe; in Frankrijk, Spanje en Italië is zij een van de talrijkste grote vleermuizen. Op het Iberisch Schiereiland komt zij vrijwel overal voor, met kraamkolonies in grotten en gebouwen in Andalusië, Extremadura, Castilië, het Iberisch Randgebergte, Catalonië, Navarra en langs de Cantabrische kust, en ook op de Balearen; omdat zij daar in veel grotten kolonies deelt met de kleine vale vleermuis, worden Spaanse tellingen meestal als Myotis myotis/blythii gepubliceerd.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief; de dieren vliegen laat uit en jagen tot vijfentwintig kilometer van de kolonie, wat voor een vleermuis een grote afstand is. De soort jaagt op gehoor: laag boven de bodem vliegend vangt zij het geluid op van grote, lopende ongewervelden en laat zich daarop vallen. Het voedsel bestaat daarom vooral uit loopkevers, aangevuld met meikevers, langpootmuggen, veenmollen, spinnen en nachtvlinders. In april en mei vormen de vrouwtjes grote kraamkolonies, in Midden-Europa op zolders en in het zuiden in grotten; in juni wordt één jong geboren, dat na ruim drie weken vliegt. De mannetjes brengen de zomer alleen of in kleine groepjes door. Van oktober tot april is er winterslaap in groeven of grotten, waar dieren van honderden kilometers ver samenkomen; in de nazomer zwermen ze bij de ingangen, waar ook de paring plaatsvindt. De soort kan oud worden: een leeftijd van dertig jaar is vastgesteld.

Waar en wanneer kijken

In het noordwesten van het areaal is de soort zeldzaam; in Wallonië, de Eifel, Frankrijk en Spanje is zij beter te vinden. In Spanje zijn grotten met bekende kolonies in Extremadura, Andalusië, Aragón en Catalonië geschikt; het uitvliegen is bij zonsondergang van buiten de grot te zien. Op een zomeravond bij een grote kerk- of kloosterzolder met een kolonie vliegen de dieren in de schemering een voor een uit en vliegen zwaar en laag naar het bos. Vraag toestemming en blijf buiten. Betreed nooit zelf een winterverblijf: verstoring tijdens de winterslaap kan dieren het leven kosten en is vrijwel overal verboden. Zoek in plaats daarvan onder overkappingen en portieken naar hoopjes loopkeverpantsers; dat spoor wijst op de soort, ook waar geen vleermuis is gezien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016) op wereldschaal. In Zuid-Europa is de situatie redelijk gunstig; in Noordwest-Europa, aan de rand van het areaal, is de soort sterk achteruitgegaan. In Groot-Brittannië werd zij in 1990 uitgestorven verklaard; het ene mannetje dat daar sinds 2002 overwintert, is de kleinste zoogdierpopulatie van Europa. In Nederland verdwenen de kraamkolonies in de twintigste eeuw, en in Midden-Europa halveerden de aantallen tussen 1950 en 1980 door het afsluiten van zolders, het gebruik van houtverduurzamingsmiddelen op balken, verstoring van winterverblijven en het verdwijnen van open bosbodem en extensief beweid grasland. Sinds de jaren tachtig herstelt de soort zich in Duitsland, Frankrijk en Zwitserland, doordat kraamzolders worden beschermd en groeven met vleermuisvriendelijke hekken worden afgesloten. In Spanje zijn de bedreigingen de toeristische inrichting en afsluiting van grotten, bezoeken tijdens de kraam- of winterslaapperiode, renovatie van zolders zonder maatregelen, het verdwijnen van de beweiding die graslanden kort hield, en de afname van grote bodemkevers door bestrijdingsmiddelen. Omdat grote aantallen in enkele grotten zijn geconcentreerd, kan een enkele verstoring grote gevolgen hebben. De soort is afhankelijk van toegankelijke gebouwen en van een open bosbodem. De soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn, zodat voor haar speciale beschermingszones moeten worden aangewezen, en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Myotis myotis | (Borkhausen, 1797)

Borkhausen beschreef de soort in 1797 als Vespertilio Myotis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Thüringen.