Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Baardvleermuis
Baardvleermuis | Myotis mystacinus
Whiskered bat | Murciélago Ratonero Bigotudo
De baardvleermuis is een kleine Myotis van bosranden, dorpen, tuinen en waterkanten in grote delen van Europa, met uitlopers naar Anatolië, de Kaukasus en Noord-Marokko. De soort is de naamgever van een groep uitwendig nauwelijks te scheiden soorten: Brandts vleermuis werd in de jaren zeventig als aparte soort erkend, Myotis alcathoe in 2001, en populaties in het Nabije Oosten worden tegenwoordig tot M. davidii gerekend. Wat in oudere literatuur onder 'baardvleermuis' staat, kan daardoor op meer dan één soort betrekking hebben.
Sporen
In gebouwen verblijven de dieren in kleine holten, spleten en kieren, achter betimmering en luiken, onder daken en in spouwmuren; daarbuiten in rotsspleten, onder bruggen, in boomholten en in vogel- en vleermuiskasten. Onder zo'n spleet ligt soms een kleine hoeveelheid mest: donkere, droge keutels van enkele millimeters die tot insectengruis verbrokkelen. Omdat een kolonie vaak van verblijf wisselt, blijven de hoopjes klein. In de winter hangen de dieren alleen of in kleine groepjes in grotten, mijnen, tunnels en spleten. Op zomeravonden is de soort te zien bij het uitvliegen, rond zonsondergang of tot ongeveer een half uur later, en jagend in wendbare vlucht langs heggen, bosranden en boven rustig water.
Herkenning
Een van de kleinste Myotis-soorten van het gidsgebied: onderarm 32 tot 36,5 mm, gewicht 4 tot 7 gram. De vacht is lang; de rug is donkerbruin tot bruin, bij sommige dieren roodachtig of goudkleurig getipt, de buik grijsachtig. Gezicht, oren en vlieghuid zijn donker tot zwart. De oren zijn vrij lang, met vier tot vijf dwarse plooien, en steken naar voren gelegd meer dan 2 mm voorbij de snuit uit; de tragus is lang, smal en spits. De vleugel is aan de basis van de tenen vastgehecht, en de voet is klein in vergelijking met die van de watervleermuis. Jonge dieren zijn donkerder dan volwassen, van zwartachtig tot grijs. De echolocatie bestaat uit frequentiegemoduleerde signalen van 3 tot 6 ms die bij 75 tot 120 kHz beginnen en bij 28 tot 30 kHz eindigen; dat patroon is bij alle kleine Myotis-soorten vergelijkbaar.
Gelijkende soorten
De baardvleermuis is een van de soorten van het mystacinus-complex, en dat complex is de afgelopen decennia in meerdere soorten opgesplitst. Brandts vleermuis (M. brandtii) is gemiddeld iets groter (onderarm 33 tot 38 mm), heeft vaak een goudkleurige glans op de rugvacht en een lichtere huid aan de oorbasis; de zekere kenmerken zitten in de vorm van de penis en in de bouw van de kleine bovenpremolaren, die bij Brandts vleermuis relatief hoog zijn. Myotis alcathoe is kleiner en heeft een lichtere, meer bruine huid in het gezicht; M. davidii vervangt of overlapt de baardvleermuis in het Nabije Oosten, waar de grenzen tussen beide nog niet zijn vastgesteld. Tussen deze soorten is de determinatie van een vrouwtje of een jong dier in het veld vaak niet sluitend, en in het deel van het areaal waar ze samen voorkomen is voor een zekere determinatie van de afgesplitste soorten meestal DNA nodig. Een waarneming zonder dier in de hand of zonder genetisch materiaal wordt dan genoteerd als Myotis mystacinus-groep. De watervleermuis (M. daubentonii) heeft een roze tot lichtbruin gezicht, een lichtere buik en duidelijk grotere voeten. Op de batdetector is de baardvleermuis niet betrouwbaar van andere kleine Myotis-soorten te onderscheiden.
Leefgebied
De soort gebruikt een breed scala aan landschappen: halfopen cultuurland met heggen en houtwallen, bosranden, boomgaarden, tuinen, dorpen en oevers van stilstaand en langzaam stromend water. In het zuiden van het areaal is zij meer aan bos gebonden (beuken-, eiken- en naaldbos). Zij komt voor van zeeniveau tot boven 2000 m, bijvoorbeeld in het Marokkaanse Rif en de Hoge Atlas. Zomerverblijven liggen in gebouwen, rotsspleten, onder bruggen, in bomen en in kasten; winterverblijven in grotten, mijnen, tunnels en rotsspleten bij 2 tot 8 °C en hoge luchtvochtigheid. Ook stapels grote rotsblokken kunnen als winterverblijf dienen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
In de huidige opvatting komt de baardvleermuis voor in Europa tot ongeveer 64°N, van Zuid-Scandinavië tot het noorden van het Iberisch Schiereiland en Griekenland, met Corsica en Kreta; een vorm (M. m. caucasicus) in Turkije, Libanon en de Kaukasus tot in Noord- en Noordoost-Iran, en een vorm (M. m. occidentalis) in het zuiden van het Iberisch Schiereiland en in Noord-Marokko. In Afrika is de soort alleen van enkele plaatsen bekend. Omdat de verwante soorten pas recent zijn afgesplitst, zijn oudere verspreidingsgegevens niet altijd aan één soort toe te wijzen, en in het Nabije Oosten is de grens met M. davidii nog onduidelijk.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De baardvleermuis jaagt in wendbare vlucht op vliegende insecten van gemiddeld ongeveer 7,5 mm: vooral muggen en andere tweevleugeligen, vliesvleugeligen en nachtvlinders, in mindere mate kevers, en ook spinnen en rupsen die van bladeren worden gepakt. De dieren vliegen 's avonds tot 5 km naar hun jachtgebied, dat gemiddeld ongeveer 230 ha beslaat; soms jagen ze bij daglicht. Kraamkolonies tellen meestal 20 tot 60 vrouwtjes, soms enkele honderden, en zitten vaak samen met gewone dwergvleermuizen; de mannetjes leven 's zomers alleen, behalve op de Balkan, waar gemengde kleine kolonies voorkomen. De jongen worden tussen half juni en juli geboren. Paring vindt plaats vanaf eind juli, bij zwermplaatsen voor grotten in het najaar en in de winterverblijven tot in het vroege voorjaar; de ontwikkeling van het embryo begint pas na de winterslaap. Vrouwtjes zijn na één jaar geslachtsrijp. De soort is honkvast of trekt over korte afstand, meestal niet meer dan 50 tot 100 km; de langste bekende verplaatsing bedraagt 625 km, in Frankrijk. De hoogste bekende leeftijd in het wild is 23 jaar.
Waar en wanneer kijken
Op zomeravonden kun je jagende dieren zien langs heggen, bosranden en boven vijvers en beken. Met een batdetector is te horen dat het een kleine Myotis is, maar niet welke; noteer een waarneming zonder dier in de hand daarom als Myotis mystacinus-groep. Zekere determinatie berust op kenmerken van gebit en penis, die alleen bij vangonderzoek door bevoegde onderzoekers worden bekeken, en in delen van het areaal op DNA. Winterverblijven worden in de winter niet betreden; verstoring kost de dieren vetreserves.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is wijdverspreid en er zijn geen dreigingen op de schaal van het hele areaal vastgesteld. Na de afsplitsing van Brandts vleermuis en M. alcathoe is een nieuwe beoordeling nodig. Plaatselijk zijn afnames gemeld door verlies van verblijfplaatsen, verstoring van ondergrondse verblijven en de omzetting van boomgaarden in bebouwing. In Noord-Afrika wordt de soort in de traditionele geneeskunde gebruikt; dat wordt op dit moment niet als bedreiging beschouwd. De populaties in Groot-Brittannië en Duitsland lijken stabiel. De soort staat op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Myotis mystacinus | (Kuhl, 1817)
Kuhl beschreef de soort in 1817 als Vespertilio mystacinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. mystacinus betekent 'gesnord', bij het Griekse mystax 'bovenlip, snor', naar de donkere beharing rond de snuit; een eponiem is het niet. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Hanau.






