Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Franjestaart

Franjestaart | Myotis nattereri

Natterer's bat | Murciélago Ratonero Gris

De franjestaart is een middelgrote Myotis van bos, parkland en kleinschalig cultuurland, genoemd naar de rij stijve haren langs de rand van de staartvlieghuid. Hij jaagt langzaam en wendbaar tussen de vegetatie en pakt prooien van bladeren en van de grond. Wat lang als één soort gold, is sinds het begin van deze eeuw op grond van genetisch en morfometrisch onderzoek in meerdere soorten opgesplitst; in de huidige opvatting is de franjestaart in engere zin een soort van het noorden, midden en oosten van Europa.

Franjestaart (Myotis nattereri)
Foto: Gilles San Martin — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Zomerverblijven liggen in boomholten, holle bomen, rotte takken en verlaten spechtenholen, in vleermuiskasten en in spleten in rotsen en muren, en in gebouwen, onder meer in holle bakstenen en in verlaten gebouwen. Onder zo'n verblijf ligt soms een kleine hoeveelheid mest. Van augustus tot eind oktober zwermen de dieren 's nachts voor grotten en mijnen, vaak samen met watervleermuizen en Bechsteins vleermuizen. In de winter hangen zij in grotten, mijnen, tunnels en andere ondergrondse ruimten, alleen of in kleine groepjes in spleten, en plaatselijk in grote winterkolonies. De soort wordt betrekkelijk vaak dood aangetroffen op plakstrips tegen vliegen.

Herkenning

Een middelgrote vleermuis: onderarm 38,5 tot 41 mm, gewicht 7 tot 10 gram, spanwijdte 24,5 tot 30 cm. De rug is bruin tot grijsachtig, de buik bleekgrijs tot witachtig en scherp van de rug afgescheiden; de vacht is lang en ruig. Het gezicht is kaal en duidelijk roze, vooral rond de ogen, met een smalle, lange snuit. De oren zijn vrij lang, met meerdere plooien aan de buitenrand, en steken naar voren gelegd voorbij de snuit; de tragus is lang en spits en reikt tot voorbij de helft van de oorlengte. Het kenmerk van de groep zit aan de staart: de rand van de staartvlieghuid draagt twee rijen stijve haren en wordt gesteund door een S-vormige spoor. Het scheenbeen is onbehaard. Jonge dieren zijn donkerder, met zwartachtige huid en vleugels. De vleugels zijn breed; de vlucht is langzaam en wendbaar. De echolocatie bestaat uit korte, sterk gemoduleerde signalen van 3 tot 5 ms die bij 100 tot 150 kHz beginnen en bij 20 kHz of lager eindigen, een van de breedste frequentiebereiken binnen het geslacht.

Gelijkende soorten

De franjestaart is de naamgever van het nattereri-complex, en dat complex is opgesplitst. Myotis crypticus (Italië, de Alpen en het noorden van het Iberisch Schiereiland), M. escalerai (Iberisch Schiereiland en aangrenzend Frankrijk), M. nustrale (Corsica), M. hoveli (Zuid-Turkije en de Levant) en M. tschuliensis (de Krim en de Kaukasus) delen de franje aan de staartvlieghuid en de S-vormige spoor. Uitwendige verschillen tussen deze soorten zijn klein en berusten vooral op maten; voor een zekere determinatie is meestal DNA nodig, en waar de areaalgrenzen liggen is nog niet overal bekend. Een waarneming zonder genetisch materiaal buiten het kerngebied van de franjestaart wordt daarom genoteerd als Myotis nattereri-complex. Van andere Myotis-soorten is de groep aan de franje en de spoor te scheiden. Bechsteins vleermuis (M. bechsteinii) heeft duidelijk langere oren met meer plooien en mist de franje; de ingekorven vleermuis (M. emarginatus) heeft roestbruine, wollige vacht en een diepe inkeping in de buitenrand van het oor. Op de batdetector zijn de signalen van de franjestaart door het brede frequentiebereik van die van andere kleine Myotis-soorten te onderscheiden, maar niet van die van de afgesplitste soorten.

Leefgebied

Bos van uiteenlopende samenstelling, loof- en naaldbos, verder boomgaarden, tuinen, parken, boomaanplant en weiden, van zeeniveau tot ongeveer 2000 m. De soort jaagt langs rivieren, in oeverbos en boven graslanden. Zij is gevoelig voor het verlies en de versnippering van leefgebied. Winterverblijven liggen in grotten, mijnen en tunnels.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

In de huidige opvatting het noorden, midden en oosten van Europa tot ongeveer 60°N, met Groot-Brittannië en Ierland, en West-Turkije. Geïsoleerde populaties in West-Rusland, op Kreta en Cyprus, en in Irak, Iran en Turkmenistan zijn nog niet aan een ondersoort of soort toegewezen. In het Iberisch Schiereiland, Italië, de Alpen, Corsica, de Levant en de Kaukasus leven de afgesplitste verwante soorten; ook de status van de populaties op andere grote eilanden in de Middellandse Zee is door de recente veranderingen in de indeling onzeker. Oudere verspreidingsgegevens onder de naam M. nattereri kunnen op elk van deze soorten betrekking hebben.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De franjestaart jaagt in langzame vlucht op 1 tot 4 m boven de grond en pakt prooien van bladeren en van de grond; hij kan stil in de lucht hangen voor hij een prooi van een oppervlak plukt, en gebruikt soms de staartvlieghuid om een prooi van de vegetatie te scheppen. Het voedsel bestaat vooral uit spinnen (onder meer hooiwagens), rupsen en tweevleugeligen, in kleinere aantallen kevers, nachtvlinders en duizendpoten. De dieren vliegen meestal meer dan een half uur na zonsondergang uit, maar kunnen ook laat in de nacht of overdag jagen; ze vliegen tot 4 km naar jachtgebieden van samen tot 500 ha. Kraamkolonies tellen meestal 20 tot 50 vrouwtjes met jongen, in gebouwen soms meer dan 120. De jongen, één per jaar, worden tussen begin juni en begin juli geboren, vliegen na ongeveer 20 dagen en zijn na een maand zelfstandig. Mannetjes vormen groepen tot 25 dieren. De paring vindt plaats bij zwermplaatsen en in de winterverblijven. De soort is honkvast: afstanden tussen zomer-, zwerm- en winterverblijf zijn meestal niet groter dan 40 km; uitzonderlijk zijn verplaatsingen van 266 tot 327 km gemeld. Grote winterkolonies kunnen meer dan 8000 dieren tellen.

Waar en wanneer kijken

Jagende franjestaarten zijn 's avonds te zien langs bosranden, laanbomen en boven weiden, laag bij de vegetatie. Op een batdetector valt de soort op door de zeer korte signalen met een breed frequentiebereik; toch geeft een opname buiten het kerngebied van de soort geen uitsluitsel tegenover de afgesplitste soorten. Bij vangonderzoek door bevoegde onderzoekers is de franje aan de staartvlieghuid te zien. Winterverblijven en zwermplaatsen worden niet verstoord.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2023). De huidige beoordeling betreft de soort in engere zin, na de afsplitsing van de verwante soorten. De franjestaart is niet algemeen, maar de populaties in Midden-Europa lijken stabiel. Genoemde oorzaken van plaatselijke achteruitgang zijn het verlies en de versnippering van leefgebied, verstoring en het verdwijnen van oude gebouwen en de renovatie van huizen die als verblijf dienen, en sterfte op plakstrips tegen vliegen. De soort staat op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Myotis nattereri | (Kuhl, 1817)

Kuhl beschreef de soort in 1817 als Vespertilio Nattereri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. nattereri eert de Oostenrijkse natuuronderzoeker Johann Natterer (1787–1843), later beroemd om zijn achttien jaar verzamelen in Brazilië, die Kuhl de vleermuis aanwees. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Hessen.