Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Noordse vleermuis

Noordse vleermuis | Cnephaeus nilssonii

Northern Serotine | Murciélago norteño

De noordse vleermuis is volgens het Handbook of the Mammals of the World de noordelijkst verspreide vleermuissoort: ze plant zich voort tot boven de poolcirkel in Noorwegen, Zweden en Finland. Onderarm 37 tot 44 mm, gewicht 9 tot 13 gram. De soort stond tot 2023 als Eptesicus nilssonii te boek; sindsdien plaatst de Mammal Diversity Database haar met de andere Oude-Wereldsoorten van Eptesicus in het geslacht Cnephaeus. In Scandinavië en Finland is zij in grote delen de talrijkste vleermuis; in Midden-Europa beperkt het areaal zich grotendeels tot de middelgebergten en de Alpen.

Noordse vleermuis (Cnephaeus nilssonii)
Foto: Magne Flåten — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Kraamkolonies zitten meestal in gebouwen: onder dakbedekking, achter plaatwerk, in muren en in holle ruimten onder metalen platen; soms in boomholten. Onder de invliegopening ligt mest. De mannetjes leven het hele jaar meestal alleen. In het najaar verdedigen dieren hun jachtgebied en de omgeving van winterverblijven met achtervolgingen en hoorbare roepen. In de winter worden losse dieren gevonden in kelders, huizen, grotten en mijnen, vaak dicht bij de ingang en bij temperaturen rond 0 tot 2 °C. Op de detector geeft de soort een reeks roepen rond 30 kHz in een regelmatig patroon langs een vaste baan.

Herkenning

Een middelgrote vleermuis met een lange, zijdeachtige, donkerbruine tot zwartachtige rugvacht met goudgele haarpunten, waardoor de rug een gelige glans heeft; de buik is licht bruin tot beige. Gezicht, oren en vlieghuiden zijn donkerbruin. De oren zijn kort, afgerond en vlezig; de tragus is kort, afgerond en naar binnen gebogen. De vleugels zijn breed en lang, met een spanwijdte van 24 tot 28 cm, en de staart steekt iets buiten de staartvlieghuid uit. De vlucht is snel en rechtlijnig, op 2 tot 20 m hoogte, vaak in vaste banen langs een bosrand of rond een lantaarn. De zoekroepen zijn frequentiegemoduleerd met een vrijwel constant eind (FM/QCF), tot 20 ms lang, met de piekfrequentie meestal tussen 26 en 32 kHz; in Zweden werd gemiddeld 32,4 kHz gemeten.

Gelijkende soorten

De laatvlieger (Cnephaeus serotinus) is groter (onderarm 48 tot 58 mm) en heeft een rookbruine rug zonder de goudkleurige glinstering. De tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) heeft een vergelijkbaar formaat en ook lichte haarpunten, maar een scherp afgetekende witte buik en keel en zilverig in plaats van goudig berijpte haarpunten. Savi's dwergvleermuis (Hypsugo savii) is kleiner (onderarm 31 tot 38 mm) en komt vooral in Zuid-Europa voor. Op de batdetector zijn de zoekroepen van noordse vleermuis en laatvlieger niet goed te scheiden, en er is brede overlap met de Nyctalus-soorten en de tweekleurige vleermuis. De sociale roepen zijn lange tonen met vrijwel constante frequentie tot 60 ms, met sterke tweede en derde harmonischen.

Leefgebied

Boreaal bos en berggebieden, vooral naaldbos en gemengd bos met open plekken, bosranden, meren, moerassen en venen; daarnaast parken, tuinen en dorpen, waar de soort vaak rond straatlantaarns jaagt. Het handboek noemt hoogten van zeeniveau tot ongeveer 2920 m. De jachtgebieden liggen meestal 1 tot 10 km van het verblijf, bij uitzondering veel verder. In Zweden was de dichtheid op 57° N vijf keer zo hoog als in vergelijkbaar landschap op 65° N.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

In het gidsgebied Noorwegen, Zweden, Finland, de Baltische staten en West-Rusland, en verder zuidwaarts oostelijk Frankrijk, de Alpen, de Karpaten, de middelgebergten van Duitsland, Tsjechië en Polen en de Kaukasus. In de laaglanden van West- en Midden-Europa ontbreekt de soort grotendeels. Losse zwervers zijn gemeld tot Bulgarije, Italië en Zuid-Groot-Brittannië. Buiten het gidsgebied loopt het areaal door Siberië en Centraal-Azië tot Noordoost-China, Korea, Sachalin, Kamtsjatka en Hokkaido. Het handboek merkt op dat de verspreiding in verschillende bronnen verschillend wordt weergegeven en als voorlopig moet gelden. De soort wordt nu als monotypisch beschouwd.

Levenswijze

De noordse vleermuis jaagt in de vlucht, vooral op kleine muggen (Nematocera), daarnaast op kevers, nachtvlinders en wantsen, en kan bij temperaturen net boven het vriespunt jagen. In de lichte zomernachten van het noorden is de jachttijd kort: zogende vrouwtjes jaagden van 120 tot 130 minuten per nacht kort na de geboorte tot 320 minuten op het hoogtepunt van de zoogperiode. Vrouwtjes hebben vaak een klein vast jachtterrein van rond 100 m², waar zij soms jarenlang terugkeren. Jongen, één of twee, worden van half juni tot eind juli geboren, later naarmate de breedtegraad hoger is; zij vliegen na twee tot drie weken. Vrouwtjes planten zich doorgaans niet voort in hun eerste drie jaar. De winterslaap loopt van november of december tot maart of april, afzonderlijk, in verblijven van 0 tot 2 °C, soms tot −5 °C. De langste bekende verplaatsing in Europa is ongeveer 450 km. De hoogste bekende leeftijd is ongeveer 20 jaar.

Waar en wanneer kijken

In Scandinavië en Finland is de soort op zomeravonden bij dorpen en boerderijen te zien, jagend rond straatlantaarns en langs bosranden; in juni is het rond middernacht nog licht genoeg om de dieren te volgen. In de Alpen en de middelgebergten zitten de kraamkolonies meestal in huizen en andere gebouwen in dorpen. Een dier dat in een vaste baan rond een lantaarn vliegt en op de detector rond 30 kHz roept, is een aanwijzing; de vacht met de goudkleurige punten is alleen van dichtbij, in de hand of op een foto, te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). In het noorden van het areaal is de soort talrijk en wordt zij soms de algemeenste vleermuis genoemd; in delen van Midden-Europa, zoals Duitsland, is zij zeldzaam en regionaal bedreigd. Klimaatverandering wordt als de voornaamste bedreiging genoemd, omdat een groot deel van het areaal in noordelijke leefgebieden ligt die door stijgende temperaturen sterk zullen veranderen. Daarnaast spelen verstoring en verlies van verblijven in gebouwen. De soort staat in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Cnephaeus nilssonii | (von Keyserling & J. H. Blasius, 1839)

Von Keyserling & J. H. Blasius beschreef de soort in 1839 als Vesperugo Nilssonii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Cnephaeus is Grieks, van knephaios 'duister, van de schemering', bij knephas 'schemer'; Kaup gaf de naam in 1829, en hij is pas onlangs weer in gebruik genomen. nilssonii eert de Zweedse zoöloog Sven Nilsson (1787–1883), de schrijver van de Skandinavisk fauna. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.