Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Rosse woelmuis
Rosse woelmuis | Clethrionomys glareolus
Bank Vole | Topillo rojo
De rosse woelmuis is de woelmuis van bos, bosranden en struweel. Anders dan de meeste woelmuizen klimt hij en is hij ook overdag actief, zodat hij vaker te zien is dan de andere soorten van de groep. Aan kleur en staartlengte is hij in de hand betrouwbaar op naam te brengen.
Sporen
De rosse woelmuis maakt geen dichte wisselstelsels in de graszode zoals de veldmuis, maar gebruikt smalle looppaadjes door de strooisellaag en het mos, langs boomwortels, onder omgevallen stammen en door de holle ruimte onder een houtstapel, met graafgangen van ongeveer drie centimeter doorsnede die korter en onregelmatiger zijn dan bij verwante soorten. De keutels zijn 4 tot 6 mm, kort en cilindrisch met stompe uiteinden, groengrijs tot bruinzwart, en liggen in kleine groepjes op een verhoging langs zo'n paadje. In de winter en het vroege voorjaar knaagt de soort bast van jonge bomen en struiken, tot een halve meter hoog en onder sneeuw ook hoger, in onregelmatige, opwaarts gerichte plekken met paarsgewijze knaagstreepjes van ongeveer 1 mm breed; omdat hij klimt, zijn geringde twijgen hoog in een jonge boom vaker van hem afkomstig dan van een haas. In hazelnoten laat hij een gat achter met regelmatige, evenwijdige knaagstreepjes op de binnenrand maar geen knaagsporen op het nootoppervlak rond het gat; de bosmuis laat daarnaast ruwe krassen op het oppervlak na, en de eekhoorn breekt de noot in tweeën. Verder zijn er aangevreten paddenstoelen, opengeknaagde beukennootjes en kersenpitten, en soms een bolvormig nest van gras en mos onder een boomstronk, in een holle stam, in een nestkast of in een composthoop. In braakballen van bosuil, ransuil en kerkuil is de soort vaak talrijk. Woelmuisresten zijn daarin herkenbaar aan de vlakke, in zigzagprisma's gevouwen kiezen: bij de rosse woelmuis met wortels en afgesleten kauwvlak, bij de Microtus-soorten wortelloos en levenslang doorgroeiend. Braakbalonderzoek is voor deze groep vaak de enige betrouwbare methode om vast te stellen welke soorten in een gebied voorkomen.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een kleine, gedrongen woelmuis met een kastanjebruine tot roodbruine rug die scherp afsteekt tegen grijzige flanken en een geelwitte of vuilwitte buik. De snuit is stomper dan die van een echte muis maar minder bol dan bij veldmuis en aardmuis, de ogen zijn groot en donker en de oren steken duidelijk uit de vacht. Het beslissende kenmerk is de staart: 3,5 tot 7 cm, ruwweg de helft van de kop-romplengte, licht behaard en duidelijk tweekleurig, donker van boven en wit eronder. Daarmee is de soort in de hand te scheiden van de andere woelmuizen van West- en Midden-Europa, die een staart van hooguit een derde van de romplengte hebben. Jonge dieren zijn grijzer en missen het rood; bij hen zijn staartlengte en oren de kenmerken. In de hand is er een tweede, leeftijdsafhankelijk kenmerk: bij Clethrionomys krijgen de kiezen met de jaren wortels en slijten ze af, terwijl ze bij Microtus levenslang doorgroeien.
Gelijkende soorten
De soort behoort tot de weinige Europese woelmuizen die in het veld betrouwbaar te determineren zijn. Veldmuis en aardmuis zijn geelgrijs tot dofbruin zonder rode rug, hebben kleinere, in de vacht verscholen oren, kleinere ogen en een veel kortere staart, en leven in gras en niet in de struiklaag. De noordse woelmuis is groter en donkerder. Op het Iberisch Schiereiland komt in het noordelijke derde de Lusitaanse woelmuis bij, die grijzer is, kleine oren en een korte staart heeft en geen roodachtige rug. De bosmuis deelt het leefgebied maar is een echte muis: grote oren, uitpuilende ogen, een staart zo lang als het lichaam, en een springende in plaats van rennende voortbeweging. De eilandvormen van Skomer, Jersey, Mull en Raasay zijn groter en bleker; dat is variatie binnen de soort. Waar hij in Fennoscandië samen voorkomt met de noordelijke roodrugwoelmuizen, is determinatie in het veld niet betrouwbaar: die zijn grijzer op de flanken en korter van staart, en onderscheid vereist een dier in de hand of laboratoriumonderzoek.
Leefgebied
Bos en daarop gelijkende begroeiing: loof- en gemengd bos met een goed ontwikkelde struik- en kruidlaag, jonge aanplant, kapvlakten met braam, naaldbos met ondergroei, en vooral randen: houtwallen, heggen, holle wegen, spoortaluds en greppelkanten met struweel. Dood hout, braam, klimop en een dikke strooisellaag zijn belangrijker dan de boomsoort. In de bergen bereikt de soort de bovengrens van het bos, in het noorden het berkenbos. Kaal grasland en open akkerland worden gemeden; een enkele struik of een begroeide greppelrand kan al volstaan. Ook tuinen met struiken en composthopen worden bewoond.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Ierland en het noorden van het Iberisch Schiereiland tot Centraal-Rusland en van Noord-Scandinavië tot Noord-Italië en de Balkan; in het zuiden beperkt tot bergbossen. Op het Iberisch Schiereiland leeft de soort alleen in het noordelijke derde: Cantabrisch gebergte, Galicië, Pyreneeën en Prepyreneeën, het noordelijke Iberisch Randgebergte en de noordelijke helft van de Meseta tot het Castiliaans Scheidingsgebergte, waar de zuidgrens van het Iberische areaal ligt. Aan die zuidrand is ze beperkt tot noordhellingen en oeverbossen, in versnipperde populaties. Ze ontbreekt in de zuidelijke helft van het schiereiland, op de Balearen en op de Canarische Eilanden. In Groot-Brittannië is ze op het vasteland algemeen, en er zijn eilandvormen op Skomer (voor de kust van Pembrokeshire), Mull, Raasay en Jersey. In Ierland is ze rond 1925 per ongeluk ingevoerd bij Listowel in County Kerry en in 1964 voor het eerst vastgesteld; sindsdien heeft ze zich met ongeveer één tot twee kilometer per jaar uitgebreid en bezet ze een groot deel van de zuidelijke helft van het eiland. In Nederland komt ze vrijwel overal voor waar bos, struweel of een houtwal staat, en ontbreekt ze in de meest open delen van Noord-Groningen, Friesland en Noord-Holland, in delen van Flevoland en op de meeste Waddeneilanden. Overal schommelen de aantallen sterk met de zaadzetting van beuk en eik: op een mastjaar volgt een piek en daarna een inzinking.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Actief in korte, afwisselende perioden van rust en activiteit rond de klok, met de nadruk op schemering en nacht, maar in bos ook overdag, duidelijk meer dan andere woelmuizen. De soort klimt goed in de kruid- en struiklaag en zwemt zo nodig. Het voedsel is gevarieerder dan dat van de grasetende woelmuizen: zaden, beukennootjes, eikels, bessen, knoppen, paddenstoelen, mos, groene plantendelen en in voorjaar en zomer ook insecten, wormen en slakken. Vrouwtjes houden en verdedigen een klein territorium; mannetjes hebben een groter leefgebied. Van april tot september volgen de worpen elkaar op: na ongeveer drie weken dracht drie tot vijf jongen, die binnen een maand geslachtsrijp kunnen zijn, zodat in een gunstig jaar de voorjaarsjongen in de nazomer zelf jongen krijgen. Weinig dieren halen een tweede winter; de soort is een hoofdprooi van bosuil, ransuil, kerkuil, buizerd, vos, wezel, hermelijn, boommarter en huiskat. Ze houdt geen winterslaap en is de hele winter actief, onder de sneeuw en in de strooisellaag.
Waar en wanneer kijken
Ga in mei of juni stil zitten bij een bosrand met veel dood hout, braam en mos, en richt je op de grond in plaats van op de bomen: binnen een kwartier steekt meestal een roodbruin dier een open plek over. Een houtstapel, een composthoop of de wortelkluit van een omgewaaide boom is de beste plek. Voor een betrouwbare soortenlijst kun je in het najaar braakballen van een roestplaats van de bosuil uitpluizen; dat levert in één middag een vollediger lijst dan een jaar veldwaarnemingen. Vangonderzoek met inloopvallen is alleen toegestaan met vergunning en de juiste zorg. Op Skomer zijn de dieren weinig schuw en van dichtbij te observeren. De soort is drager van het hantavirus dat nephropathia epidemica veroorzaakt, waarvan de gevallen bij mensen in mastjaren toenemen: vermijd het inademen van stof uit oude schuren en houtstapels.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2021) en een van de algemeenste zoogdieren van Europa. De aantallen schommelen sterk, maar er is geen aanwijzing voor een langjarige afname. Kwetsbaar zijn enkele geïsoleerde eilandvormen, vooral die van Skomer, die op een eiland van enkele vierkante kilometers leeft en afhankelijk is van het uitblijven van ratten en andere uitgezette predatoren. Ook de populaties aan de zuidgrens van het Iberische areaal, in het Castiliaans Scheidingsgebergte en het Iberisch Randgebergte, zijn kwetsbaar: ze leven in fragmenten van vochtig bos en behoren tot de eerste die op drogere, warmere zomers reageren, zodat hun achteruitgang als indicator van klimaatverandering in het middengebergte wordt gebruikt. Het verdwijnen van houtwallen, heggen en dood hout uit het cultuurlandschap heeft invloed op de soort, maar geschikte randen blijven vrijwel overal aanwezig. De soort is een belangrijke prooi voor bosuil, kerkuil, wezel, hermelijn en vos, en de schommelingen in haar aantallen bepalen mede het broedsucces van die soorten.
Wetenschappelijke naam
Clethrionomys glareolus | (von Schreber, 1780) (GBIF: Myodes glareolus)
Von Schreber beschreef de soort in 1780 als Mus glareolus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Clethrionomys is Grieks: het tweede deel is mys 'muis', het eerste wordt meestal gelezen als klēthrion, verkleinwoord bij klēthra 'els'. Andere woordenboeken leiden het af van kleithron 'grendel'; zeker is de herkomst niet. glareolus is een Latijns verkleinwoord bij glarea 'grind'; waar het op slaat is niet zeker, vermoedelijk op de steile oevers en holle wegen waar het dier zijn gangen graaft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Denemarken, Lolland.





