Alle soorten › Knaagdieren › Berkenmuizen › Sicista severtzovi
Sicista severtzovi | Sicista severtzovi
Severtzov's Birch Mouse | Sicista severtzovi
Sicista severtzovi is een berkenmuis van de bossteppe van Oost-Oekraïne en het aangrenzende Zuidwest-Rusland; een Nederlandse naam heeft de soort niet. De Oekraïense rode lijst schat het aantal op minder dan duizend dieren, en de IUCN beoordeelde de soort in 2024 als ernstig bedreigd en mogelijk uitgestorven. De soortstatus is omstreden.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Er zijn geen bruikbare sporen. Een gestreept dier van ongeveer tien gram laat geen prent, gang, vraatspoor of geluid achter dat op naam te brengen is, en bij deze soort bewijst ook een gevangen dier zonder laboratoriumonderzoek niets. In de praktijk wordt gevangen met kleine inloopvallen in ongestoorde bossteppe, of worden braakballen van kerkuil en velduil onderzocht, waarin de zeer lange staartwervels op het geslacht Sicista wijzen; daarna gaat weefsel of een DNA-monster naar een laboratorium, omdat alleen genetisch onderzoek tot de soort leidt. De vangkans is zeer laag: op de weinige bekende vindplaatsen maakt de soort minder dan een half procent van de gevangen kleine zoogdieren uit. Een gestreept muisje in de bossteppe van Charkiv of Voronezj is in het veld alleen te noteren als Sicista uit de subtilis-groep.
Herkenning
Een klein, gestreept knaagdier van de bossteppe, in bouw en kleur nauwelijks te onderscheiden van de andere soorten van de Sicista subtilis-groep. De kop-romplengte bedraagt meestal 5,5 tot 7 centimeter en loopt op tot negen centimeter, de grootste waarde binnen de groep, met een staart van 6,8 tot 8,0 centimeter die de gewone kop-romplengte met ongeveer een vierde tot een vijfde overtreft, een iets kleinere verhouding dan bij S. loriger, en een achtervoet van 13 tot 16 millimeter. De vacht is grijsbruin met een geelbruine zweem, de buik lichter. Het patroon is dat van de hele groep: een donkere ruggenstreep met aan weerszijden donkere zijstrepen, gescheiden door lichtere banen. Alle andere uitwendige kenmerken overlappen met de verwante soorten.
Gelijkende soorten
De soort is in het veld niet vast te stellen. Van Sicista loriger en S. subtilis is ze op afstand, in de hand en op een foto niet te onderscheiden: de maten overlappen, en kleur en strepenpatroon zijn gelijk. De scheiding berust op het chromosoomgetal (het geslacht Sicista is chromosomaal zeer variabel, en chromosoomrassen binnen de vroegere S. subtilis bleken zelfstandige soorten), op het mitochondriale DNA, op de vorm van het baculum en de penisstekeltjes, waarvoor museummateriaal en een microscoop nodig zijn, en op het areaal. Alleen dat laatste is in het veld bruikbaar, en bij deze soort is het ook het minst zeker. S. severtzovi leeft in de bossteppe ten oosten van de Dnjepr, in Oost-Oekraïne en het Russische zwarteaardegebied rond Voronezj; de typelocatie is de proefsteppe Kamennaja Steppe bij Bobrov. S. loriger leeft in de steppe ten zuiden en westen daarvan, S. subtilis in strikte zin verder naar het oosten. Daarnaast is de soortstatus omstreden: de herziening van 2016 vond geen steun voor een aparte soort en stelde voor haar als ondersoort bij S. subtilis onder te brengen; de Mammal Diversity Database houdt haar in versie 2.5 als soort aan. Alleen de berkenmuis is te onderscheiden, aan de enkele ruggenstreep zonder zijstrepen en aan het leefgebied in bos en veen.
Leefgebied
De overgangszone tussen steppe en bos: ongestoorde kruidenrijke veder- en zwenkgrassteppe en weidesteppe, randen en hellingen van ravijnen, en steppestruweel met sleedoorn, dwergamandel en steppekers. Zoals alle berkenmuizen heeft de soort een dichte, rechtopstaande kruidlaag nodig om in te klimmen en te schuilen; kort begraasd, gemaaid of afgebrand terrein is ongeschikt, en geploegd land volledig. Het kernleefgebied, de zwarteaardebossteppe, ligt op de vruchtbaarste bodems van Oost-Europa, die grotendeels in landbouwgebruik zijn genomen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Alleen de bossteppe van Oost-Oekraïne en het aangrenzende zuidwesten van Rusland. De typelocatie is het proefstation Kamennaja Steppe in het district Bobrov, oblast Voronezj. In Oekraïne is het voorkomen van de soort pas sinds 1999 erkend; ze is daar bekend uit de steppezone ten oosten van de Dnjepr. Het hele wereldareaal ligt binnen het gidsgebied. GBIF bevat binnen het gidsgebied geen enkele waarneming van de soort; dat bewijst geen afwezigheid, maar weerspiegelt hoe zelden de soort wordt vastgesteld en hoe zelden vondsten in internationale databanken terechtkomen.
Levenswijze
Over de levenswijze van deze soort afzonderlijk is vrijwel niets bekend; het volgende geldt voor de groep als geheel. Schemer- en nachtactief en solitair, klimmend in de kruidlaag met de lange staart als steun. Het voedsel bestaat voor een knaagdier voor een groot deel uit insecten en andere ongewervelden, aangevuld met zaden en vruchtjes van steppekruiden. De dieren graven een eigen zomerhol en houden een lange winterslaap die het grootste deel van het jaar beslaat. Ze worden na de eerste winter geslachtsrijp, krijgen één tot twee worpen per jaar van drie tot vijf jongen, en worden één tot twee jaar oud. Door deze trage levenscyclus kan een plaatselijke populatie na een mislukte zomer of een voorjaarsbrand verdwijnen.
Waar en wanneer kijken
Voor deze soort bestaan geen zoekaanwijzingen voor het veld. Het hele areaal ligt in Oost-Oekraïne en het aangrenzende Rusland, grotendeels in of vlak achter de frontzone, waar sinds 2022 geen veldonderzoek plaatsvindt en waar branden en mijnen het terrein onbegaanbaar maken. Ook in vredestijd was de soort alleen met vergunde vangreeksen aan te tonen, met een trefkans van minder dan een half procent en zonder zekerheid over de soortnaam. Braakballen van uilen uit de bossteppe van Charkiv, Soemy, Belgorod en Voronezj zijn de goedkoopste manier om vast te stellen of er nog Sicista voorkomt.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd, mogelijk uitgestorven (CR, 2024). De Oekraïense rode lijst schat het aantal op minder dan duizend dieren in het land, en de soort maakt minder dan een half procent van de kleinzoogdiervangsten op de bekende vindplaatsen uit. De oorzaak is dezelfde als bij S. loriger, maar sterker: de zwarteaardebossteppe is vanwege de vruchtbaarheid bijna volledig omgeploegd, en wat resteert ligt in reservaatsnippers die door voorjaarsbranden, beweiding en versnippering worden aangetast. Sinds 2022 komt de oorlog daarbij: het areaal ligt in het gebied van de zwaarste gevechten, met grote steppebranden, gepantserd verkeer, mijnen en een volledige stilstand van het veldwerk. Sindsdien is geen nieuwe waarneming bekend. Omdat de soortstatus betwist is, telt de soort in sommige lijsten niet als zelfstandige eenheid mee, waardoor ze buiten beschermingsregelingen kan vallen. De soort is hier opgenomen volgens de indeling van de Mammal Diversity Database.
Wetenschappelijke naam
Sicista severtzovi | Ognev, 1935
Ognev beschreef de soort in 1935 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sicista is geen Latijn en geen Grieks. Gray nam het woord in 1827 over zonder bronvermelding; men zoekt het bij een volksnaam voor de muis uit het Russisch-Tataarse taalgebied, maar welke dat is staat niet vast. severtzovi eert een Severtsov, maar welke staat niet vast: bedoeld is de Russische ontdekkingsreiziger en zoöloog Nikolaj Severtsov (1827–1885) of zijn zoon Aleksej Severtsov (1866–1936), de Moskouse evolutiemorfoloog in wiens instituut Ognev de naam publiceerde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Voronezh.



