Alle soorten › Knaagdieren › Berkenmuizen › Sicista strandi

Sicista strandi | Sicista strandi

Strand's Birch Mouse | Sicista strandi

Sicista strandi is een berkenmuis van de steppen en bossteppen van Zuid-Rusland en Oost-Oekraïne; een Nederlandse naam heeft de soort niet. Ze is pas laat als aparte soort erkend en is van haar noordelijke zustersoort, de berkenmuis, alleen te onderscheiden aan het aantal chromosomen en de bouw van het baculum. Uitwendig is het een zeer klein dier met een staart van anderhalf keer de lichaamslengte en een zwarte streep over de rug.

Sicista strandi (Sicista strandi)
Foto: Aleksej Tichonov / UkrBIN (ukrbin_team) — CC0 · Wikimedia Commons

Sporen

Van een dier van ongeveer tien gram dat 's nachts in de kruidlaag klimt, zijn geen prenten, keutels of vraatsporen bekend die op naam te brengen zijn. Wel laten berkenmuizen in het najaar soms een bolvormig nest van gras en bladeren achter onder een omgevallen stam, in een holle boomstronk of in een verlaten muizenhol, en graven ze een eigen winterhol waarin ze tot acht maanden achtereen in winterslaap liggen, opgerold met de staart spiraalvormig om het lichaam. Zulke holen worden vrijwel alleen bij graafwerk gevonden. Bewijs komt in de praktijk uit bodemvallen, de enige vangmethode waarmee berkenmuizen betrouwbaar worden aangetoond, en uit braakballen van kerkuil en velduil, waarin de kleine kaken aan de kiesbouw tot het geslacht te herleiden zijn. Voor de soort is daarna genetisch onderzoek of een meting van het baculum nodig. In het veld is het gedrag een aanwijzing: berkenmuizen klimmen, wat bij kleine knaagdieren ongewoon is; een muisje dat in het donker tussen de stengels van hoge kruiden omhoog klimt en zich met de staart vasthoudt, is geen bosmuis.

Herkenning

Een zeer klein knaagdier, kop-romp 6 tot 7,5 cm, met een staart van 8,5 tot 10 cm, anderhalf maal de kop-romplengte, dun, weinig behaard en bij het klimmen licht grijpend gebruikt. De rug is roodbruin tot geelbruin met fijne zwarte stippeling, de buik grijswit. Over het midden van de rug loopt van het achterhoofd tot de staartwortel een scherpe zwarte aalstreep; die is smal en mist de lichte begeleidende banden van de steppesoorten. De oren steken duidelijk boven de vacht uit, de ogen zijn groot en zwart, de snuit is spits. Dieren uit de Kaukasus zijn bleker. Het gewicht bedraagt enkele grammen; het dier is kleiner dan een huismuis.

Gelijkende soorten

De berkenmuizen van Europa zijn in het veld niet op soort te brengen. S. strandi is uitwendig vrijwel gelijk aan de berkenmuis (Sicista betulina), haar zustersoort. De scheiding berust op twee kenmerken die in het veld niet zichtbaar zijn: het aantal chromosomen, 44 bij strandi tegen 32 bij betulina, en de bouw van het baculum, dat bij strandi langer is en de verbreding aan de punt mist die betulina heeft. Verder helpt alleen het areaal: betulina leeft in het noorden en in de bergen van Midden-Europa, strandi in de bossteppe van Zuid-Rusland en Oost-Oekraïne, en de arealen raken elkaar nauwelijks. De gestreepte steppesoorten (S. subtilis, S. loriger, S. severtzovi en S. trizona) hebben naast de zwarte middenstreep lichte flankbanden en een tweede paar donkere zijstrepen; dat is het enige kenmerk in dit geslacht dat met het blote oog bruikbaar is, en het onderscheidt een groep, geen soort. Voor de Kaukasische groep (S. caucasica, S. kluchorica, S. kazbegica), die in dezelfde bergen voorkomt, geldt hetzelfde. Een muis met een staart van anderhalf keer het lichaam en een streep over de rug is in het veld te noteren als berkenmuis (Sicista); voor de soort is laboratoriumonderzoek nodig.

Leefgebied

Bossteppe: eilandbossen, dalbossen en ooibossen op de zuidelijke Russische vlakte en in de Noord-Kaukasus, en de ruige overgangen waar de soort het meest wordt gevangen: ravijnhellingen met hoog kruid, struweel in de steppe, bosranden, houtwallen en ruigten met salie en vedergras. De soort heeft een dichte, hoge kruidlaag nodig om in te klimmen en een losse bodem om het winterhol in te graven; kaal beweide steppe en kale akkers worden gemeden. In de Kaukasus komt ze tot ongeveer 2100 meter voor, en in het Oesmanski Bor bij Voronezj ook in naaldbos.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De steppen en bossteppen van Zuid-Rusland en Oost-Oekraïne: van het zuiden van de Middenrussische Hoogte (bij Koersk) en de Wolgahoogte zuidwaarts tot in de Grote Kaukasus, waarbij de noord- en oostgrens nog niet scherp bekend zijn, met de typelocatie in Karatsjaj-Tsjerkessië op 2100 meter. In Oekraïne liggen de enige betrouwbare vindplaatsen in de oblast Loehansk, vrijwel alle in de beschermde steppegebieden Striltsivski Step en Provalski Step; de soort staat daar als kwetsbaar in het nationale Rode Boek. In Rusland is ze opgenomen in de rode boeken van de oblasten Lipetsk, Tambov en Koersk. Binnen het gidsgebied is ze beperkt tot het uiterste oosten, in de Donsteppe en de Kaukasus.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Actief in de schemering en de nacht, met enkele waarnemingen overdag. De soort klimt goed in struiken en hoge kruiden, met de lange staart als steun. Het voedsel bestaat voor een knaagdier voor een groot deel uit dierlijk materiaal: vooral insecten en andere ongewervelden, aangevuld met bessen, vruchten en zaden van steppeplanten en met groene plantendelen. De winterslaap begint in de nazomer of vroege herfst en duurt tot april of mei, zodat de dieren tot acht maanden per jaar slapen en de actieve periode tot een korte zomer beperkt is. Kort na het ontwaken begint de paartijd; er zijn één, soms twee worpen per jaar van drie tot zes jongen. De dieren worden zelden ouder dan één of twee jaar. Predatoren zijn vos, hermelijn, wezel, roofvogels en vooral uilen.

Waar en wanneer kijken

De soort wordt in het veld zelden gezien. De beste kans bieden in mei, juni of juli de beschermde steppen van Loehansk of een dalbos in de zwarte-aardezone: zoek in de late schemering langs een ravijnrand met hoog kruid naar een klein dier dat langs een stengel omhoog klimt in plaats van over de grond te rennen. Aansluiten bij lopend onderzoek is praktischer; berkenmuizen worden vrijwel alleen met bodemvallen gevonden, en dat werk vereist een vergunning. In braakballen van kerkuilen uit de Donsteppe komt de soort voor, en het uitpluizen daarvan is de meest gangbare manier om met haar in aanraking te komen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). Over het hele areaal is de soort wijdverspreid en niet zeldzaam, en het grootste deel van dat areaal ligt in dunbevolkt Zuid-Russisch bossteppegebied. Aan de westrand is de situatie anders. In Oekraïne geldt ze als kwetsbaar en zijn alle betrouwbare vindplaatsen beperkt tot enkele beschermde steppereservaten in Loehansk; in drie Russische oblasten staat ze eveneens op de regionale rode lijst. De oorzaken zijn het omploegen van de laatste ruige hellingen en bosranden, het kappen en versnipperen van de eilandbossen, en branden die in droge jaren over de steppe gaan. Omdat de dieren tot acht maanden per jaar onder de grond liggen, zijn ze bovendien zeer kwetsbaar voor grondbewerking en voor branden die diep in de strooisellaag doordringen.

Wetenschappelijke naam

Sicista strandi | Formozov, 1931

Formozov beschreef de soort in 1931 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sicista is geen Latijn en geen Grieks. Gray nam het woord in 1827 over zonder bronvermelding; men zoekt het bij een volksnaam voor de muis uit het Russisch-Tataarse taalgebied, maar welke dat is staat niet vast. strandi eert de Noorse zoöloog Embrik Strand (1876–1947), hoogleraar te Riga en oprichter van het tijdschrift waarin Formozov de naam publiceerde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Karachay-Cherkess.