Alle soorten › Knaagdieren › Berkenmuizen › Driekleurige muis
Driekleurige muis | Sicista subtilis
Southern Birch Mouse | Ratón Listado De Las Estepas
De driekleurige muis (Sicista subtilis) is een berkenmuis van de open steppe met een zwarte aalstreep, aan weerszijden begeleid door een lichte band en daarbuiten door een tweede, vagere donkere streep. Hij is nachtactief, eet veel insecten en houdt van september tot april winterslaap. Sinds de taxonomische herziening van 2016 omvat de naam alleen de oostelijke steppepopulaties; de vroeger hieronder gerekende Europese populaties zijn over andere soorten verdeeld.
Sporen
Prenten, keutels en vraatsporen van deze soort zijn niet op naam te brengen. In de zomer bouwt hij een ondergronds zomernest, meestal in een verlaten gang van een ander knaagdier of zelf uitgegraven in de losse steppebodem; het nest is bolvormig en van fijn gras gemaakt. In september begint op dezelfde plek of in een dieper gegraven kamer de winterslaap, opgerold met de staart om het lichaam; die duurt tot april. Boven de grond klimt hij: een klein knaagdier dat 's nachts langs de stengels van hoge steppekruiden omhoog klimt en zich daarbij met de staart vasthoudt, is een berkenmuis en geen woelmuis of echte muis. De soort wordt aangetoond met bodemvallen, de enige vangmethode die berkenmuizen betrouwbaar oplevert omdat ze gewone inloopvallen niet binnengaan, en in braakballen van kerkuil en velduil, waarin de kaakjes tot op geslacht te determineren zijn. Voor determinatie tot op soort is genetisch onderzoek nodig.
Herkenning
Een zeer klein steppeknaagdier, kop-romp gemiddeld rond 6,5 cm en zelden boven de 7,5 cm, met een staart van 110 tot 130 procent van de kop-romplengte; de staart is dun en tweekleurig, donker van boven en licht eronder. De achtervoet is korter dan 15,7 mm. De rug is licht grijsgeel tot donkergrijs, de buik witachtig. Kenmerkend is de tekening: een scherpe zwarte aalstreep van het achterhoofd tot de staartwortel, aan beide kanten geflankeerd door een lichte band en daarbuiten door een tweede, minder scherpe donkere zijstreep die op de schouder begint. Vandaar de Nederlandse naam. De oren steken uit de vacht, de ogen zijn groot en zwart, de snuit is spits.
Gelijkende soorten
In het veld is deze soort niet van haar naaste verwanten te onderscheiden. De gestreepte steppeberkenmuizen S. subtilis, S. loriger (Nordmanns berkenmuis), S. severtzovi, S. cimlanica en S. trizona hebben dezelfde driedelige tekening, dezelfde maten en dezelfde bouw. Tot 2016 werden ze onder één naam samengevat; sindsdien rust de scheiding op chromosoomgetallen, mitochondriaal en nucleair DNA en in mindere mate op de vorm van het penisbeen. Er is geen kenmerk dat in het veld of op een foto bruikbaar is. Het streeppatroon bepaalt wel de groep: een berkenmuis met alleen een zwarte middenstreep en zonder lichte flankbanden behoort tot de betulina-groep, dat wil zeggen de berkenmuis zelf of Sicista strandi; die leven in bos en bossteppe en niet in open steppe. Binnen de gestreepte groep volgt de soort uit het verspreidingsgebied. S. subtilis in de huidige, engere zin leeft in de steppen ten oosten van de Don en de Wolga en verder tot Siberië. Gestreepte berkenmuizen in Hongarije, Roemenië, Oekraïne en Moldavië zijn S. trizona of S. loriger. Echte muizen zijn met deze kenmerken uit te sluiten: de dwergmuis is roodbruin zonder streep, de bosmuis is veel groter en heeft grote oren, en geen van beide combineert een aalstreep met een staart die langer is dan kop en romp.
Leefgebied
Open, ongeploegde steppe: vedergras- en kruidenrijke steppe, droge en licht verzilte graslanden, ruigten en akkerranden, plaatselijk ook bossteppe en de rand van halfwoestijnen. De soort heeft een dichte, hoge kruidlaag nodig om in te klimmen en te schuilen, en een losse bodem om zomer- en winterhol in te graven; kaal beweide of jaarlijks geploegde grond is ongeschikt. De dichtheden zijn het hoogst in ongestoorde, oude steppe met een gevarieerde vegetatiestructuur; daarnaast komt hij voor in verwaarloosde perceelranden, spoortaluds en braakliggende akkers.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Sinds de herziening van 2016 is dit een soort van de oostelijke steppen: Zuidoost-Rusland en Kazachstan, oostwaarts tot in Siberië en mogelijk tot Noord-Mongolië en Noord-Xinjiang. In Europa komt hij alleen voor in de steppen van Zuid-Rusland. De Europese populaties die in oudere literatuur onder de naam driekleurige muis van Oostenrijk tot Oekraïne werden aangegeven, zijn over drie soorten verdeeld: S. trizona in het Karpatenbekken, S. loriger in Oekraïne, Moldavië, Roemenië en Bulgarije, en S. severtzovi in het Don-gebied. In Midden- en West-Europa komt de soort niet voor. Op de Britse Eilanden, in de Lage Landen en op het Iberisch Schiereiland leven geen berkenmuizen; de meest westelijke berkenmuis is de berkenmuis (Sicista betulina) in Denemarken, Noorwegen, Polen en de Tsjechische en Slowaakse bergen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief, soms ook in de schemering. Hij klimt in de kruidlaag en gebruikt daarbij zijn lange staart. Het voedsel bestaat vooral uit insecten en andere ongewervelden, aangevuld met zaden, bolletjes, groene delen en plantenresten; het aandeel dierlijk voedsel is hoog voor een knaagdier. De winterslaap duurt van september tot april; voortplanting en opbouw van reserves vallen in de actieve periode daartussen. De voortplanting loopt de hele zomer door met een piek in mei en begin juni; de draagtijd is ten minste 25 dagen, de worp telt gemiddeld 5,5 jongen en de zoogtijd duurt 33 tot 35 dagen. De levensverwachting is één tot twee jaar. Predatoren zijn onder meer vos, hermelijn, steppebunzing, klapekster en vooral kerkuil en velduil.
Waar en wanneer kijken
De soort wordt vooral bij toeval en 's nachts waargenomen. Zoek in mei of juni na zonsondergang met een lamp langs een ongeploegde steppehelling of een verwilderde akkerrand in Zuid-Rusland of Kazachstan, en let op de stengels van hoge kruiden: een klein dier dat daarlangs omhoogklimt in plaats van over de grond te rennen, is een berkenmuis. Voor een zekere vaststelling geldt hetzelfde als bij andere kleine steppeknaagdieren: verzamel en pluis braakballen van kerkuil en velduil uit en laat de soort genetisch bevestigen. Vangen mag alleen met vergunning, en dan met bodemvallen; in gewone inloopvallen gaat een berkenmuis niet.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2017). Deze beoordeling betreft de soort in de afbakening van 2016, dus de wijd verspreide steppepopulatie van Zuidoost-Rusland, Kazachstan en Siberië, waar hij plaatselijk algemeen is. Ze geldt niet voor de Europese randpopulaties die vroeger onder deze naam vielen en nu tot andere soorten behoren: S. trizona staat als bedreigd te boek en S. loriger als ernstig bedreigd. De bedreigingen zijn voor alle soorten van de groep gelijk en treffen ook S. subtilis aan de westrand van zijn areaal: het omploegen van de steppe, omzetting naar graanakkers, overbeweiding en steppebranden. Omdat de dieren een groot deel van het jaar ondergronds in winterslaap liggen, overleven ze diepe grondbewerking niet. Het voorkomen is gebonden aan het behoud van oude, onbewerkte steppe.
Wetenschappelijke naam
Sicista subtilis | (Pallas, 1773)
Pallas beschreef de soort in 1773 als Mus subtilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Sicista is geen Latijn en geen Grieks. Gray nam het woord in 1827 over zonder bronvermelding; men zoekt het bij een volksnaam voor de muis uit het Russisch-Tataarse taalgebied, maar welke dat is staat niet vast. subtilis is Latijn voor 'fijn, tenger'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Kurgan.




