Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Spermophilus musicus

Spermophilus musicus | Spermophilus musicus

Caucasian Mountain Ground Squirrel | Spermophilus musicus

Spermophilus musicus is de grondeekhoorn die van alle Europese soorten het hoogst voorkomt: op de noordflank van de centrale Grote Kaukasus, tot 3200 meter, tussen met korstmossen begroeide basaltblokken in de omgeving van de Elbroes. Ménétries noemde de soort in 1832 musicus, 'de zanger', naar de heldere fluitroep. Sinds 2024 wordt de soort ruimer opgevat dan alleen de bergvorm: ook de zandkleurige steppedieren tussen Dnjepr en Wolga worden ertoe gerekend.

Spermophilus musicus (Spermophilus musicus)
Foto: Nina Zhavoronkova 2020 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het duidelijkste spoor is de kolonie. In de bergen liggen de holingangen onder en tussen rotsblokken en in de grazige plekken daartussen; ze zijn vijf tot acht centimeter breed en lopen schuin de helling in. Vóór elke ingang ligt een onbegroeide waaier van aarde en steengruis, die op afstand zichtbaar is als lichte vlek in de weide. Rond die plekken is het gras korter afgegraasd en anders van kleur, en tussen de ingangen lopen smalle, in de zode uitgesleten paadjes. Rotsblokken vlak bij een ingang dienen als vaste uitkijkposten; de steen is daar glad en soms vettig gesleten. In de laaglandsteppe ontbreken de rotsblokken en resteert alleen de bleke aardwaaier, vaak tientallen op één perceel. Keutels zijn klein, donker en worstvormig en liggen verspreid rond de graasplekken. Het bruikbaarste teken is de roep waarnaar de soort is genoemd: een helder, aanhoudend fluiten dat van hol tot hol wordt herhaald en meestal eerder te horen is dan de dieren te zien zijn.

Spermophilus musicus, holingang in de bergweide van het hooggebergtereservaat van kabardië-balkarië, met de bewoner die vanuit de pijp alarm fluit — het geluid waaraan de soort haar naam dankt
Holingang in de bergweide van het hooggebergtereservaat van Kabardië-Balkarië, met de bewoner die vanuit de pijp alarm fluit — het geluid waaraan de soort haar naam dankt · Foto: Лаура Ильичёва — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Spermophilus musicus, tussen met korstmos begroeide blokken in het nationaal park priëlbroesje, centrale kaukasus — dit is het hoogste leefgebied van alle europese grondeekhoorns
Tussen met korstmos begroeide blokken in het Nationaal Park Priëlbroesje, Centrale Kaukasus — dit is het hoogste leefgebied van alle Europese grondeekhoorns · Foto: T4nto-br — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Spermophilus musicus, kop van dichtbij bij de holingang, dzjily-soe: de roestbruine kruin en oogstreek, de lichte oogring en de heel kleine ronde oren
Kop van dichtbij bij de holingang, Dzjily-Soe: de roestbruine kruin en oogstreek, de lichte oogring en de heel kleine ronde oren · Foto: Nina Zhavoronkova 2020 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Kop-romp 20,5 tot 24 cm, staart 4,5 tot 5 cm, gewicht rond 235 gram; iets forser dan een siesel, met een korte staart van ruim een vijfde van de romplengte. De rug is okergeel tot grijsbruin met een fijne, lichte spikkeling die uit lichte haarpunten bestaat en niet uit vlekken; op tien meter afstand oogt de rug effen. De bergdieren zijn donkerder en warmer bruin, met een roodbruine tot roestkleurige kop en oogstreek die afsteekt tegen de grijzere rug; de laaglandvorm van de steppe is bleker en geler. Keel en buik zijn geelwit, de oogring is licht maar niet scherp begrensd en de oren zijn zeer klein en rond. De staart is kort behaard, aan de bovenzijde gekleurd zoals de rug en heeft een smalle donkere zoom vóór een lichte punt. De houding is die van alle soeslikken: rechtop bij de holingang, met gestrekte hals en de voorpoten tegen de borst.

Gelijkende soorten

Het areaal is doorslaggevend. Op de bergweiden en puinhellingen van de Kaukasus boven 1150 meter is dit de enige grondeekhoorn; de alpenmarmot komt er niet voor, en geen ander dier van dit formaat leeft er overdag in kolonies boven de boomgrens. In de steppe tussen Dnjepr en Wolga, waar sinds 2024 ook de laaglandvorm van deze soort wordt ingedeeld, verschilt zij van de buursoorten doordat zij egaal zandkleurig is en geen witte vlekken heeft: de gevlekte soeslik, die ten noorden daarvan in de bossteppe voorkomt, is duidelijk gepareld, wat met een verrekijker of op een foto te zien is. Ten oosten van de Wolga leeft de dwerggrondeekhoorn, die sterk gelijkt en ook in de hand niet altijd te onderscheiden is; daar is de rivier de grens. Ten westen van de Dnjepr leeft de eveneens gevlekte S. odessanus, verder westwaarts de siesel; geen van beide grenst aan het areaal van deze soort. De Turkse soorten komen voor ten zuiden van de Kaukasus en de Zwarte Zee. Buiten het geslacht is de bobakmarmot vijf keer zo zwaar, leeft de Kaukasische eekhoorn in bomen en heeft die een pluimstaart, en zijn steppelemmingen en hamsterachtigen kleiner en niet overdag actief in open terrein.

Leefgebied

In de Kaukasus subalpiene en alpiene bergweiden, grazige hellingen en graslandjes tussen puinhellingen en rotsblokken, van 1150 tot 3200 meter; de grootste kolonies liggen op de hoogalpiene weiden en weidegronden van de noord-, west- en oosthellingen van de Elbroes, op plekken waar de bodem diep genoeg is om in te graven. In het laagland tussen Dnjepr en Wolga droge en halfdroge steppe, alsemsteppe, beweide hellingen, akkerranden en braakland. Beide vormen zijn gebonden aan droge, doorlatende grond en lage vegetatie. Hoog gras en dichte struiken worden gemeden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het kerngebied is de Noordelijke Kaukasus: Kabardië-Balkarië, Karatsjaj-Tsjerkessië, Noord-Ossetië en aangrenzend Georgië. Daar is de soort op de hoogste weiden algemeen; het totale bergareaal is klein, enkele honderden vierkante kilometers. Sinds de herziening van 2024 wordt ook de laaglandvorm van de steppe tussen Dnjepr en Wolga, met inbegrip van de Krim en Zuid-Oekraïne, tot deze soort gerekend; die vorm werd eerder bij de dwerggrondeekhoorn ingedeeld. Het westelijke deel van dit laaglandareaal, de Krim en de steppe ten noorden van de Zwarte Zee, is het deel waar de soort het snelst achteruitgaat.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De soort is uitsluitend dagactief, met de meeste activiteit in de ochtend en de late namiddag; op hete dagen blijven de dieren rond het middaguur onder de grond. Ze leven in kolonies, maar elk volwassen dier heeft een eigen gangenstelsel; gezamenlijke familieburchten zoals bij marmotten komen niet voor. Het voedsel bestaat uit gras, kruiden, bloemen, zaden, bollen en knollen, in de bergen vooral jong groen dat kort na de sneeuwsmelt opkomt. De winterslaap duurt van ongeveer oktober tot april, zes tot zeven maanden, en de ingang wordt van binnenuit dichtgestopt. Op de hoogste hellingen duurt de winterslaap langer; in de warme laaglandsteppe gaan de dieren juist eerder de grond in, en daar volgt de winterslaap direct op een zomerrust die al in juli of augustus kan beginnen. Kort na het uitkomen is er één paartijd; na ongeveer vier weken dracht worden vijf tot acht jongen geboren, die na een maand bovengronds komen en zich na één winterslaap voortplanten. Predatoren zijn vos, steenmarter, hermelijn, steppebunzing en steenarend; in de bergen is de soort een vaste prooi van de steenarend, en een lange fluittoon uit de kolonie wijst vrijwel altijd op een steenarend in de lucht.

Waar en wanneer kijken

In de Centrale Kaukasus is de periode van juni tot half september het gunstigst, tussen zeven en elf uur 's ochtends, boven de boomgrens. Bekende plekken zijn de weiden van Dzjily-Soe aan de bovenloop van de Malka, aan de voet van de Elbroes, en het Nationaal Park Priëlbroesje; de dieren zijn daar weinig schuw. Zoek eerst met de verrekijker naar de lichte aardwaaiers tussen de rotsblokken, ga dan op vijftig meter afstand zitten en wacht tot het fluiten ophoudt. In het laagland, op de Krim en in de Zuid-Oekraïense steppe, is april tot juni de beste periode; beweide hellingen en oude spoordijken zijn geschikte plekken. Na september zijn de dieren overal in winterslaap.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024). Dit is de laagste bedreigingscategorie van alle Europese soeslikken, maar de beoordeling steunt vooral op de bergpopulatie. Die leeft op grote hoogte in moeilijk toegankelijk terrein, ondervindt weinig invloed van akkerbouw en neemt op sommige hellingen toe. Het laaglanddeel van de soort, dat pas sinds 2024 wordt meegerekend, gaat daarentegen sterk achteruit: op de Krim en in de Zuid-Oekraïense steppe is de populatie sinds de jaren tachtig sterk gekrompen door het omploegen van steppepercelen, het wegvallen van extensieve beweiding en droogte. De categorie LC heeft dus betrekking op twee populatiedelen met een verschillende trend; zolang de nieuwe soortopvatting niet in een nieuwe beoordeling is verwerkt, zegt zij weinig over het Europese deel van de populatie. In de Kaukasus zijn overbegrazing van de hoogste weiden en uitbreiding van skigebieden de belangrijkste bedreigingen; beide zijn plaatselijk en bedreigen het voortbestaan van de soort niet.

Wetenschappelijke naam

Spermophilus musicus | Ménétries, 1832

Ménétries beschreef de soort in 1832 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Spermophilus is Grieks, van sperma 'zaad' en philos 'liefhebbend': de zaadliefhebber, naar het voedsel dat het dier in zijn wangzakken naar het hol draagt. musicus is Latijn voor 'muzikaal, welluidend', naar de heldere fluittoon waarmee het dier waarschuwt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Georgië, Ush-Kulan.