Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Siesel
Siesel | Spermophilus citellus
European ground squirrel | Ardilla Terrestre
De siesel is de enige grondeekhoorn waarvan het areaal tot in Midden-Europa reikt. De soort leeft in kolonies op kortgegraasde steppe en op vergelijkbaar terrein, zoals schapenweiden, vliegvelden, dijken en golfbanen. Ze is uitsluitend dagactief en houdt ongeveer een half jaar winterslaap, van augustus tot maart, in een hol tot een meter of dieper onder de grond. Sinds 2023 staat ze als bedreigd op de Rode Lijst, vooral door het verdwijnen van kortgrazige steppevegetatie in Europa.
Sporen
Het belangrijkste spoor is de kolonie zelf, die van honderd meter afstand herkenbaar is. Let op holingangen van vijf tot tien centimeter doorsnede, rond tot iets ovaal, schuin de grond in en zonder de drempel van een dassenburcht; een stelsel heeft één tot vijf ingangen, gangen van een halve tot vier en een halve meter lang, en reikt tot twee meter diep. Voor verse ingangen ligt een waaier van uitgeworpen aarde die licht afsteekt tegen de zode: op geploegde of stenige grond een bleke vlek, in gras een kale plek. Rond de ingangen is het gras korter afgegraasd dan daarbuiten en anders van kleur, en tussen de ingangen lopen smalle, in de zode uitgesleten paadjes. Een ingang die van binnenuit met aarde is dichtgestopt, betekent dat de bewoner in winterslaap ligt; dat begint al in augustus, zodat een kolonie in september verlaten lijkt terwijl ze bewoond is. Keutels zijn klein, donker en langwerpig, ongeveer een halve centimeter dik, en liggen verspreid rond de graasplekken, niet in een latrine. Op akkerranden liggen afgebeten aren en zaaddozen die naar het hol zijn gesleept. De alarmroep is een scherp, hoog fluitje van een tiende seconde, meestal in twee tonen, dat door de hele kolonie wordt herhaald zodra er een buizerd overvliegt; direct daarna zijn alle dieren onder de grond.



In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een gedrongen bodemknaagdier ter grootte van een kleine rat, kop-romp 17 tot 23 cm, met een korte staart van 3 tot 9 cm, hooguit een derde van de romplengte, en een gewicht dat in de loop van de zomer oploopt van 125 tot 380 gram. De rug is zandgeel tot grijsbeige met een fijne, wolkige zwarte marmering; het zijn geen echte vlekken, en op tien meter afstand oogt de rug egaal. Flanken en buik zijn geler, de keel is wittig en de oogring zwak en licht. De oren zijn zeer klein en rond en verdwijnen bijna in de vacht; de ogen zijn groot, zwart en hoog in de kop geplaatst. De staart is dun en kort behaard, aan de bovenzijde gemarmerd zoals de rug en donkerder naar de punt. De voorpoten dragen sterke graafklauwen. In het veld is de houding het bruikbaarste kenmerk: kaarsrecht rechtop bij de holingang, met de voorpoten tegen de borst.
Gelijkende soorten
Bij de grondeekhoorns is niet de kleur maar het areaal bepalend: de zeven Europese soorten sluiten elkaar vrijwel overal uit, en op één uitzondering na is op elke vindplaats maar één soort te verwachten. De siesel is de soort van Midden- en Zuidoost-Europa: Oost-Oostenrijk, Moravië, Slowakije, Hongarije, Roemenië, Servië, Bulgarije, Noord-Macedonië, Noord-Griekenland, Moldavië, de rechteroever van Oekraïne en Europees Turkije. Een grondeekhoorn in dat gebied is een siesel. De uitzondering is Moldavië en West-Oekraïne, waar de soort naast Spermophilus odessanus voorkomt; daar is het verschil op een foto te zien: odessanus heeft scherp begrensde witte vlekken van twee tot vijf millimeter over de hele rug, de siesel alleen een vage marmering. Ten oosten van de Dnjepr leeft de gevlekte soeslik (S. suslicus), eveneens duidelijk gevlekt; die komt nergens samen met de siesel voor. In de Kaukasus en de Zuid-Russische steppe leeft S. musicus, ten oosten van de Wolga de dwerggrondeekhoorn (S. pygmaeus), in Anatolië S. xanthoprymnus en in het Taurusgebergte S. taurensis; geen van deze vier overlapt met de siesel, en de Bosporus scheidt haar van de twee Turkse soorten. Buiten het geslacht zijn de verschillen duidelijk: de bobakmarmot leeft in Oekraïne in dezelfde steppe maar is vier tot tien keer zo zwaar, de hamster is nachtactief en heeft een zwarte buik, de eekhoorn leeft in bomen en heeft een pluimstaart, en de Siberische grondeekhoorn heeft vijf zwarte lengtestrepen.
Leefgebied
Kortgrazige, droge steppe en door de mens gevormd vergelijkbaar terrein: schapen- en paardenweiden, dijken en taluds, akkerranden, braakland, vliegvelden, sportvelden, golfbanen en oude begraafplaatsen. Twee eisen zijn bepalend. De bodem moet diep en goed doorlatend zijn, zoals löss, zand of lichte leem, geen natte klei, en de vegetatie moet laag blijven: in gras van dertig centimeter kan de soort naderende predatoren niet zien, en een kolonie verdwijnt dan binnen enkele jaren. De soort is daarom afhankelijk van begrazing of maaien; wanneer een weide verruigt of wordt ingezaaid met een dichte grasmat, verdwijnt de kolonie. Ze komt voor van zeeniveau tot ongeveer 2500 meter; op de Balkan tot in de bergweiden van Pirin en Rila.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het areaal loopt van Oost-Oostenrijk en Zuid-Moravië door Slowakije, Hongarije, Roemenië, Servië, Kroatië, Bulgarije, Noord-Macedonië en Noord-Griekenland tot in Moldavië, de rechteroever van Oekraïne en Europees Turkije. Oost-Oostenrijk en Zuid-Moravië vormen de westgrens. In Zuidoost-Polen is de soort uitgestorven en sinds 2005 opnieuw uitgezet met dieren uit Slowakije; in Duitsland is ze in de twintigste eeuw verdwenen. Ze komt niet voor en kwam nooit voor in de Lage Landen, op de Britse Eilanden en op het Iberisch Schiereiland. In de afgelopen vijftig jaar is het areaal niet zozeer gekrompen als wel versnipperd: er resten honderden losse kolonies, soms van niet meer dan een hectare, met kilometers akkerland ertussen. Goed bereikbare kolonies liggen rond Wenen: in het Weinviertel, het Marchfeld en het Nationalpark Donau-Auen, en op de Perchtoldsdorfer Heide, waar de dieren langs de paden te zien zijn.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Uitsluitend dagactief, met de meeste activiteit in de ochtend en de late namiddag; op hete middagen blijven de dieren onder de grond. De soort is los koloniaal, anders dan de marmot: de dieren wonen dicht bij elkaar, maar elk volwassen dier heeft een eigen gangenstelsel en er is geen gezamenlijke familieburcht. Het voedsel bestaat uit gras, kruiden, bloemen, zaden, wortels en knollen, in het voorjaar veel jong groen en in de zomer graanzaad, en daarnaast sprinkhanen, kevers en soms een nest jonge muizen. Wat niet direct wordt gegeten, gaat in de wangzakken naar het hol. De winterslaap is verplicht en lang: volwassen dieren beginnen in augustus of september, jonge dieren iets later, en ze komen pas in februari of maart weer boven; in de bergweiden van de Balkan duurt de winterslaap langer dan in de warme laaglandsteppe. De ingang wordt van binnenuit dichtgestopt. Kort na het ontwaken is er één paartijd; na 25 tot 30 dagen dracht worden twee tot elf jongen geboren, die na ongeveer vier weken bovengronds komen en op een leeftijd van negen weken vertrekken, meestal niet verder dan enkele honderden meters. Door deze korte dispersieafstand wordt een uitgestorven kolonie niet vanzelf opnieuw bezet. Predatoren zijn vos, bunzing, hermelijn en vooral steppearend, keizerarend en sakervalk; in het wild worden de dieren zelden ouder dan drie jaar.
Waar en wanneer kijken
De beste periode is april tot juni, tussen negen uur 's ochtends en het middaguur, op een kortgegraasde helling of dijk in Oost-Oostenrijk, Hongarije of Zuid-Slowakije. Zoek eerst met de verrekijker naar lichte aardhoopjes en kortere plekken in het gras, ga dan op twintig meter afstand zitten en wacht tien minuten: wanneer het fluiten ophoudt, komen de koppen één voor één uit de ingangen. Op plaatsen waar veel wandelaars komen, zoals de Perchtoldsdorfer Heide bij Wenen en het Nationalpark Neusiedler See, laten de dieren je tot op ongeveer tien meter naderen. In juli en augustus gaan de volwassen dieren al in winterslaap en zijn hooguit nog enkele jongen te zien. Het fluitje is vaak het eerste teken van een kolonie die met het oog nog niet was gevonden.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2023). De soort gaat in Europa sterk achteruit. De oorzaak is niet jacht of vergiftiging maar het verdwijnen van kortgrazige vegetatie: extensieve beweiding met schapen en paarden is in Midden-Europa vrijwel opgehouden, en wat niet verruigde, werd omgeploegd of ingezaaid. In Tsjechië resten enkele tientallen kolonies, in Duitsland is de soort verdwenen en in Polen is ze opnieuw uitgezet. Waar ze nog in goede aantallen voorkomt, zoals in Oost-Oostenrijk, is ze afhankelijk van beheer: begrazing met schapen, maaien, of een vliegveld waarvan het gras kort wordt gehouden. Daar ontstaan ook conflicten met bebouwing: de kolonie bij Wenen-Hausfeld was jarenlang een politieke kwestie, omdat op de laatste sieselweide van de stad een woonwijk gepland was. Herintroducties in Polen en Tsjechië en de terugkeer van begrazing in een aantal Hongaarse en Slowaakse reservaten laten zien dat de achteruitgang omkeerbaar is.
Wetenschappelijke naam
Spermophilus citellus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Mus Citellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Spermophilus is Grieks, van sperma 'zaad' en philos 'liefhebbend': de zaadliefhebber, naar het voedsel dat het dier in zijn wangzakken naar het hol draagt. citellus is de gelatiniseerde vorm van de Midden-Europese naam van het dier, het Duitse Ziesel en het Tsjechische sysel, die Gesner in de zestiende eeuw als citellus boekte; de verdere herkomst van dat woord is omstreden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oostenrijk, Wagram.





