Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Alpenmarmot
Alpenmarmot | Marmota marmota
Alpine Marmot | Marmota Alpina
De alpenmarmot is een groot, in holen levend lid van de eekhoornfamilie. Hij leeft boven de boomgrens in kolonies, is overdag actief en houdt een lange, diepe winterslaap: tot negen maanden per jaar, in een met hooi beklede kamer onder twee meter aarde en sneeuw. De aanwezigheid van een kolonie wordt vaak eerst vastgesteld aan de lange, schelle alarmfluit.
Sporen
Een marmottenkolonie is ook op dagen zonder zichtbare dieren van ver te herkennen. De holingang is een schuine pijp, ongeveer zo wijd als een onderarm, meestal onder een rotsblok of in een grazige helling. Ervoor ligt een waaier van uitgeworpen aarde en steengruis die meters ver de helling af loopt en onbegroeid is, zodat hij vanaf een tegenoverliggende helling een lichte plek in de weide vormt. Rond zo'n plek is het gras kort en anders van kleur dan daarbuiten, omdat de kolonie er dagelijks graast. Tussen de ingangen lopen vaste paadjes: smalle, uitgesleten wissels van hol naar hol en naar de graasplekken, die ook onder een dunne sneeuwlaag zichtbaar blijven. Eén gang wordt als latrine gebruikt, en op vaste plekken bij de ingangen liggen donkere, worstvormige keutels ter grootte van die van een haas, vezelig van het gras. Rotsblokken bij een ingang zijn glad gesleten en soms wat vettig door de wachtposten die er jaarlijks op zitten, en vertonen krassen van de graafklauwen. In september liggen plukjes gedroogd gras bij de ingang en langs de paadjes: dan wordt hooi naar binnen gebracht voor de winterkamer. Het meest bruikbare teken is de scherpe, langgerekte alarmfluit: één toon bij een roofvogel, meerdere korte tonen bij gevaar op de grond, van helling tot helling doorgegeven.


In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een zwaar, gedrongen grondknaagdier met korte poten en een brede kop, kop-romp 50 tot 58 cm, met een korte, ruige staart van 13 tot 16 cm die in een donkere punt eindigt. Het gewicht wisselt sterk met het seizoen: in het voorjaar, direct na de winterslaap, ongeveer drie kilo, en bij het begin van de winterslaap in oktober tot acht kilo. De vacht is grof grijs tot geelbruin, donkerder over schouders en kruis, met een lichte snuit en donkere ogen; de kleur komt overeen met die van verweerd graniet, waardoor een stilzittend dier op afstand moeilijk te zien is. De oren zijn klein en rond, de voorpoten dragen krachtige graafklauwen, en de snijtanden zijn breed en geelwit. Het dier zit vaak rechtop bij de holingang, met de voorpoten tegen de borst.
Gelijkende soorten
Binnen het verspreidingsgebied is er geen soort waarmee verwarring voor de hand ligt: geen ander Europees zoogdier van dit formaat leeft overdag in kolonies boven de boomgrens. Op afstand en in tegenlicht wordt hij soms voor een haas gehouden; die is hoger op de poten, heeft lange oren en maakt geen graafhopen. De sneeuwmuis en de alpenspitsmuis leven op dezelfde puinhellingen maar zijn veel kleiner. In Oost-Europa leeft op de steppen van Oekraïne en Zuid-Rusland de bobakmarmot, geler en met een kortere staart; de arealen van de twee soorten overlappen niet. De bobak is een soort van vlak grasland, de alpenmarmot van het hooggebergte. In de Pyreneeën, het Massif Central en de Apennijnen zijn alle marmotten uitgezette alpenmarmotten.
Leefgebied
Alpiene en subalpiene graslanden en bloemrijke bergweiden boven de boomgrens, ongeveer tussen 1200 en 3000 meter, met een sterke voorkeur voor open zuidhellingen waar de sneeuw vroeg smelt. De soort heeft bodem nodig die diep genoeg en niet te rotsig is om in te graven (een halve meter losse bodem is te weinig), en daarnaast rotsblokken en puinhellingen die uitzicht en dekking bieden. Onder de boomgrens komt hij alleen voor in open lariksbos en op lawinebanen; dicht bos wordt gemeden, omdat het zicht op naderende predatoren daar ontbreekt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het natuurlijke areaal is de Alpenboog, van de Franse Zeealpen door Zwitserland, Noord-Italië, Zuid-Duitsland en Oostenrijk tot Slovenië, met daarnaast een sinds lang geïsoleerde populatie in de Hoge Tatra en de Karpaten. Aan het eind van de laatste ijstijd was de soort veel wijder over Midden-Europa verspreid; het huidige natuurlijke areaal is daarvan een restant. In de Pyreneeën verdween de soort aan het eind van het Pleistoceen. In de twintigste eeuw volgde een reeks uitzettingen die de verspreiding sterk hebben veranderd: in 1948 in de Pyreneeën, en verder in het Massif Central, de Jura, de Vogezen, het Zwarte Woud, de noordelijke Apennijnen en de Roemeense Karpaten. In de Pyreneeën werd eerst aan Franse zijde uitgezet; vandaar koloniseerde de soort de Spaanse zijde. Ze is er nu algemeen en breidt zich nog uit, in Huesca, Lleida, Girona en Navarra, van het Val d'Aran en de Alta Ribagorza tot Ordesa en Aigüestortes, en ze duikt door eigen verspreiding ook op in het oosten van het Cantabrisch Gebergte. In vrijwel elk dal in de Alpen en de Pyreneeën met terrein boven de boomgrens is de soort aanwezig. Op de Britse Eilanden en in de Lage Landen komt zij niet voor.
- Inheems
- Herintroductie
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Uitsluitend dagactief, met de meeste activiteit in de ochtend en de late namiddag; op hete zomerdagen rust hij midden op de dag in het hol. De soort leeft in families van een dominant paar met jongen van meerdere jaren, soms vijftien of twintig dieren, in een gangenstelsel dat over generaties wordt uitgebreid en door één familie wordt bewoond. Er zijn twee typen holen: ondiepe vluchtholen verspreid over het leefgebied, en de diepe winterburcht met een centrale kamer die met droog gras is bekleed. De winterslaap begint in oktober en duurt tot april of mei, tot negen maanden aaneen. De hele familie ligt opgerold in één kamer, met de gangen van binnenuit afgesloten met aarde en hooi; de hartslag daalt tot enkele slagen per minuut en de ademhaling tot één tot drie ademhalingen per minuut, en ongeveer elke tien dagen warmen de dieren kort op. Dit is een echte, diepe winterslaap; daarin verschilt de marmot van de eekhoorn, die alleen winterrust houdt en regelmatig naar buiten komt om te eten. De jongen worden in juni geboren, twee tot zeven per worp, na een draagtijd van 33 tot 34 dagen, en wegen bij de geboorte minder dan dertig gram; ze komen na ongeveer zes weken boven de grond en overwinteren twee of drie keer bij hun ouders voordat ze geslachtsrijp zijn. Het voedsel bestaat uit gras, kruiden, bloemen, wortels en knollen; de soort drinkt vrijwel nooit. Familieleden waarschuwen elkaar met fluittonen vanaf vaste uitkijkposten. In het wild kan een dier vijftien jaar oud worden.
Waar en wanneer kijken
Loop in juli of augustus tussen zeven en tien uur 's ochtends een pad boven de boomgrens en zoek met de kijker naar de lichte aardhopen op de zuidhellingen; ga daarna op ongeveer honderd meter afstand zitten en wacht. Zodra het fluiten ophoudt en de kolonie weer graast, is het gedrag van de familie goed te volgen: spelen, stoeien en elkaar besnuffelen. Let op de fluittonen: één lange toon betekent meestal dat er een steenarend overvliegt, die dan ook te zien is. Een kijker met tien keer vergroting of een telescoop is voldoende; dichterbij komen heeft geen zin, omdat de dieren dan hun hol in vluchten. Eind september zijn de dieren zwaar en minder actief en vooral bezig met het binnenbrengen van hooi. Van oktober tot april zijn ze in winterslaap.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016), talrijk en in uitbreiding. In de Alpen is de soort door uitzettingen in de vorige eeuw teruggekeerd in dalen waaruit zij was verdwenen, en in de Pyreneeën, het Massif Central en de Apennijnen leeft zij nu op plaatsen waar zij in historische tijd niet voorkwam. In Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk en Italië wordt de soort bejaagd, plaatselijk intensief, zonder aantoonbaar effect op de aantallen. Het klimaat is een risicofactor: de marmot is afhankelijk van een dikke, vroege sneeuwlaag die het hol tegen vorst isoleert, en van een voorjaar dat niet te vroeg begint. In warme, sneeuwarme winters koelt de winterburcht verder af en verbruiken de dieren meer reserves; in de Franse Alpen is over meerdere decennia gemeten dat jonge marmotten met een lager gewicht uit de winter komen. Daarnaast breiden de uitgezette populaties in de Pyreneeën en de Apennijnen zich uit naar gebieden waar de soort van nature niet voorkwam; hun invloed op de vegetatie van de hoogste weiden en op andere soorten van de Pyreneeën is onderwerp van discussie. Door de klimaatverandering is de verwachting dat de soort naar grotere hoogte verschuift.
Wetenschappelijke naam
Marmota marmota | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mus Marmota; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Marmota gaat terug op het woord marmot, waarvan de herkomst onzeker is: gedacht wordt aan een Gallo-Romaanse stam marm- 'mompelen' of aan het laatlatijnse mus montanus 'bergmuis'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland, Alpen.



