Alle soorten › Knaagdieren › Springmuizen › Stylodipus telum
Stylodipus telum | Stylodipus telum
Thick-tailed Three-toed Jerboa | Stylodipus telum
Stylodipus telum is een kleine drietenige springmuis van stuifzand. De ondersoort van de Neder-Dnjeprzanden komt nergens anders ter wereld voor, en juist dat zandgebied is in juni 2023 onder water gelopen toen de Kachovkastuwdam werd opgeblazen. Er is geen Nederlandse of Spaanse volksnaam; de Engelse naam verwijst naar de dikke staart.
Sporen
Het spoor is in stuifzand goed zichtbaar. Het bestaat uit een reeks paarsgewijze afdrukken van de achtervoeten zonder voorvoetafdrukken ertussen, het typische springmuisspoor. Elke prent is een drietenige afdruk van ongeveer twee centimeter, met de nagelpunten vooraan en daarachter de veeg van de haarborstel. De spronglengte is bepalend voor de soort: veel korter dan bij de grote paardenspringmuis, meestal enkele decimeters bij rustig voortbewegen en tot ongeveer een meter op de vlucht, terwijl Allactaga in hetzelfde zand al bij rustig tempo tachtig tot honderdvijfentwintig centimeter overbrugt. Twee sporen naast elkaar in hetzelfde duin zijn dus zonder waarneming van het dier aan de soort toe te wijzen. Het tweede teken is het holenstelsel: een gangenstelsel tot twee en een halve meter lang, met veel ingangen die elk los met een prop zand zijn afgesloten. Zo'n rij proppen in een duinhelling, donkerder en losser dan het omringende zand, is het betrouwbaarste teken van bewoning en veel gemakkelijker te vinden dan het dier. Keutels zijn klein, droog en langwerpig. Anders dan veel steppeknaagdieren legt de soort geen wintervoorraad aan; voorraadkamers met zaad ontbreken.
Herkenning
Een gedrongen springmuis, ongeveer half zo lang als de grote paardenspringmuis: kop-romp tien tot dertien centimeter en zeventig tot negentig gram. De bovenzijde is zandbruin tot okergrijs met een fijne donkere spikkeling, de buik en de poten zijn zuiver wit. Kenmerkend is de staart, ongeveer even lang als het lichaam maar duidelijk dik en vlezig, met aan het eind een slecht ontwikkeld pluimpje met weinig contrast, veel minder scherp zwart-wit getekend dan bij de grote paardenspringmuis. De achtervoet heeft drie tenen, met borstels van stijve haren aan de onderzijde. De oren zijn kort en afgerond, veel korter dan de kop, waardoor de soort direct van Allactaga te onderscheiden is. In rust zit het dier rechtop op achterpoten en staart, met de voorpoten tegen de borst.
Gelijkende soorten
In het westelijke deel van het areaal komt de soort in hetzelfde zandgebied voor als de grote paardenspringmuis; de twee zijn ook in het licht van een koplamp te onderscheiden. De grote paardenspringmuis is twee keer zo lang, heeft rechtopstaande oren van bijna zes centimeter, een dunne staart met een scherp zwart-wit pluimpje en vijf tenen. Stylodipus is kleiner, heeft kortere oren, een dikkere staart en drie tenen, en is gebonden aan los zand, terwijl Allactaga de vastere leem- en kleisteppe verkiest. Verder oostwaarts leven de sterk gelijkende Stylodipus andrewsi en Stylodipus sungorus, die alleen op maten, schedel en areaal te onderscheiden zijn; zij komen niet in het westelijke deel van het areaal voor. Een renmuis in dezelfde zandgebieden loopt op vier poten en heeft geen staartpluim. In het spoor is het onderscheid met Allactaga eenvoudig: dezelfde tweevoetige reeks, maar met veel kortere sprongen.
Leefgebied
De soort is gebonden aan los zand: binnenlandse zandvlakten en stuifduinen, psammofiete steppe, alsem- en zoutsteppe op zandige of lichte kleibodem, en de open plekken tussen struiken van alsem en zoutmelde. Nodig is een open, weinig begroeide zandbodem waarin gegraven en gesprongen kan worden; zodra gras of dennenaanplant het zand vastlegt, verdwijnt de soort. Dit type landschap is in de twintigste eeuw op grote schaal beplant om verstuiving tegen te gaan.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Zuid-Oekraïne oostwaarts door Zuid-Rusland en Kazachstan tot Turkmenistan, Oezbekistan en Noordwest-China. Het westelijke deel van het areaal omvat de zandgebieden van Zuid-Oekraïne, vooral de Neder-Dnjeprzanden of Oleshky-zanden bij de monding van de Dnjepr, en de aangrenzende steppen van Zuid-Rusland rond de Zee van Azov en de Don. De Oekraïense dieren behoren tot de ondersoort falzfeini, in 1913 beschreven en genoemd naar Falz-Fein van Askania-Nova; dit is een endemische vorm met een zeer klein areaal, dat vrijwel samenvalt met de Neder-Dnjeprzanden en het Biosfeerreservaat Zwarte Zee. GBIF bevat uit dit westelijke deel van het areaal ongeveer zeventig waarnemingen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en solitair: de dieren komen na zonsondergang bovengronds, foerageren springend en verdwijnen voor het licht wordt. Het voedsel bestaat uit groene plantendelen, bollen, wortels en zaden; er wordt geen voorraad aangelegd. Elk dier graaft een eigen holenstelsel van maximaal twee en een halve meter, met meerdere ingangen die overdag met een zandprop worden afgesloten, wat bescherming biedt tegen hitte en predatoren. De winter wordt, zoals bij andere springmuizen, in winterslaap doorgebracht, in de diepste kamer van het stelsel. Vrouwtjes hebben doorgaans twee worpen per jaar van twee tot vier jongen, één in het voorjaar en één in het najaar. Predatoren zijn steppevos, steppebunzing, oehoe en steppekiekendief; de belangrijkste oorzaak van achteruitgang in het huidige landschap is echter het verdwijnen van open zand.
Waar en wanneer kijken
De Oleshky-zanden en het Biosfeerreservaat Zwarte Zee liggen in oorlogsgebied, zijn deels vermijnd en niet toegankelijk. In het westelijke deel van het areaal is de soort daardoor momenteel niet te bezoeken. Bij toegankelijk terrein is de werkwijze gelijk aan die bij andere springmuizen: rijd op een warme, windstille zomernacht stapvoets met koplampen over een zandpiste en let op oogreflectie en zijwaartse sprongen, en zoek bij het eerste ochtendlicht op een kale duinhelling naar een rij afgesloten holingangen en naar het spoor met korte sprongen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2017), omdat het Aziatische areaal groot is; de beoordeling zegt weinig over de situatie in het westen van het areaal. De ondersoort falzfeini van de Neder-Dnjeprzanden heeft een van de kleinste arealen van alle Europese zoogdieren. Zij is gedurende de hele twintigste eeuw achteruitgegaan doordat de stuifzanden op grote schaal met dennen zijn beplant om verstuiving tegen te gaan; vastgelegd zand is voor deze soort ongeschikt. Daarna volgden branden in de dennenaanplant en de oorlog. Op 6 juni 2023 werd de Kachovkastuwdam opgeblazen; het vrijgekomen water overstroomde het leefgebied van deze ondersoort, en Oekraïense ecologen wezen er direct op dat dit het einde van de populatie kan betekenen. Hoeveel dieren er over zijn, is onbekend, omdat het gebied niet toegankelijk is. Als de ondersoort verdwijnt, verdwijnt een vorm die nergens anders voorkomt.
Wetenschappelijke naam
Stylodipus telum | (H. Lichtenstein, 1823)
H. Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Dipus, Telum; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Stylodipus verbindt het Griekse stylos 'zuil, stift' met dipous 'tweevoetig', het woord achter de springmuisnaam Dipus; Allen licht de naam niet toe, zodat onduidelijk blijft wat het eerste deel moet zeggen. telum is het Latijnse woord voor 'speer, werpspies', als zelfstandig naamwoord naast de geslachtsnaam gezet; Lichtenstein licht de naam niet toe. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kazachstan, Kyzylorda.



