Alle soorten › Lipbloemigen › Byblidaceae › Byblis aquatica
Byblis aquatica
Van alle Byblis-soorten is dit de vreemde eend. Waar de rest van het geslacht rechtop in droog zand staat, begint Byblis aquatica weliswaar als een klein rechtopstaand plantje, maar strekt zich daarna liggend uit over de natte bodem of gaat zelfs drijven, met stengels die bijna een halve meter lang worden. De soort is gebonden aan laagten die in de natte tijd onder water komen te staan, en groeit dan letterlijk mee met het stijgende water. De donker wijnrode kleur die de planten in vol licht krijgen, maakt ze in een ondiepe plas verrassend lastig te zien — tot de zon er laag overheen valt en het hele wateroppervlak begint te glinsteren van de kleefdruppels.


Herkenning
Een eenjarige met aanvankelijk één rechtopstaande hoofdstengel van hooguit 5 cm, die daarna gaat leunen op omringende planten, ten slotte over de grond gaat liggen of op het water drijft en dan 15 tot 45 cm lang wordt. De bladeren zijn draaddun en rond in doorsnede, 2 tot 4 cm lang en meestal 3 tot 3,5 cm, groenig wijnrood van kleur en over hun hele lengte bezet met kleverige gesteelde klieren. De bloemstelen zijn kórter dan de bladeren — een handig veldkenmerk, want bij de andere kleine noordelijke soorten zijn ze even lang of langer. De kelkbladen meten 3 tot 4 mm en dragen korte gesteelde klieren, de kroonbladen 5 tot 7 mm en zijn paars aan beide zijden. De helmknoppen zijn klein, 0,9 tot 1,3 mm, en daarmee duidelijk korter dan de helmdraden van 2 tot 2,5 mm. De bloei valt van januari tot mei, dus midden in en vlak na de moesson. De zaden zijn met 1 tot 1,3 mm groot voor het geslacht.
Gelijkende soorten
De enige soort waarmee verwarring echt speelt, is Byblis liniflora, die eveneens helmknoppen korter dan de helmdraden heeft. Die blijft echter een compact, rechtopstaand struikje van hooguit 15 cm met bloemstelen die even lang zijn als of langer dan de bladeren, en met zaden van 0,6 tot 0,8 mm tegenover 1 tot 1,3 mm hier. In het veld is de groeivorm meestal genoeg: een Byblis die languit in het water ligt, is deze soort. Byblis filifolia is veel groter en houtiger en heeft helmknoppen die juist lánger zijn dan de helmdraden. Met Drosera-soorten die in dezelfde laagten staan, is verwarring op afstand mogelijk maar van dichtbij niet: daar staan de klierharen op een afgeplat blad en bewegen ze, hier rondom een naaldvormig blad, onbeweeglijk.
De val en hoe hij werkt
Een passieve lijmval, identiek in bouw aan die van de verwanten, maar op een plek waar de vangst deels van het wateroppervlak komt. De gesteelde klieren dragen een heldere druppel; blad noch klier beweegt. Een insect dat de druppels raakt, blijft hangen en raakt bij het spartelen alleen maar meer kleefpunten. Het verteren is werk van de veel kleinere zittende klieren tussen de steeltjes, die pas enzymen afscheiden als er een prooi op ligt en daarna de vrijgekomen stikstof en fosfor opnemen. Doordat de stengels over het water liggen, komt een deel van de buit uit de dichte wolken muggen en dansmuggen die boven zulke laagten hangen. De scheiding van vangen en verteren over twee kliertypen is de kern van het verschil met Drosera, waar één klierhaar beide doet en bovendien buigt.
Standplaats en ecologie
Fijn lemig zand in laagten die in de natte tijd onder water lopen, en de oevers van zoetwaterlagunes. De plas kan een halve meter diep worden; de planten kiemen op de droogvallende bodem en groeien mee omhoog naarmate het water stijgt. Schaduw en concurrentie van hoog moerasgras verdraagt de soort niet, zodat ze vooral staat waar de waterstand jaarlijks sterk schommelt en de vegetatie daardoor open blijft. In de vaste codes komt dat neer op een combinatie: een kwelmoeras op zand (W3), de natte randen van moeras en grasland (W6) en de oeverzone van ven en lagune (W7).
Verspreiding en hoogte
Een klein gebied in het Noordelijk Territorium: de kuststrook rond Darwin en zuidwaarts tot de omgeving van Berry Springs, met daarnaast meldingen van Bathurst Island. Daarmee is de soort endemisch voor Australië en binnen Australië beperkt tot een hoek van het Top End. Uit veldwerk zijn ook waarnemingen verder oostwaarts gemeld, maar die zijn niet door de herbariumliteratuur bevestigd en blijven hier buiten beschouwing. Het is een laaglandplant vlak bij zeeniveau; een gedocumenteerde hoogtegrens ontbreekt, zodat het hoogteveld leeg blijft.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Wilde variatie is nauwelijks beschreven, en de reden is deels taxonomisch: tot 1998 zat deze plant verscholen in een ruim opgevat Byblis liniflora, en zij werd pas door de revisie van Lowrie en Conran als aparte soort erkend. Wat als variatie opvalt, is vooral plastisch: planten in dieper water worden langer en slapper, planten op net droogvallende bodem blijven korter en compacter, en de kleur loopt van groenig naar diep wijnrood naarmate ze meer licht krijgen. Erkende variëteiten of kleurvormen zijn er niet, en natuurlijke hybriden zijn niet bekend.
Waar en wanneer te zien
Februari tot april is het beste moment, want dan zijn de planten volgroeid en in bloei. Zoek langs de randen van ondiepe, seizoensgebonden plassen en lagunes, en kijk niet recht van boven maar met de zon laag in de rug over het wateroppervlak: dan verraadt de glans van de klierdruppels de liggende stengels. Wie laat in het droge seizoen komt, treft alleen droge laagten aan. Pas op met waden in Noord-Australische wateren — zoutwaterkrokodillen komen tot ver landinwaarts in juist zulke seizoensplassen voor, en het loont een plek eerst vanaf de kant te bekijken.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst voert de soort als niet in gevaar (Least Concern), en het West-Australische herbarium noteert haar eveneens als niet bedreigd. Dat oordeel steunt op de talrijke geschikte laagten binnen het gebied en op de zaadbank die slechte jaren opvangt, niet op de omvang van het gebied zelf: dat is klein en ligt bovendien tegen de snelst groeiende stad van het Top End aan. Ontwatering, aanleg en verandering van de waterhuishouding rond Darwin zijn daarmee de factoren om in de gaten te houden.
Wetenschappelijke naam
Byblis aquatica | Lowrie & Conran, 1998
Beschreven door Allen Lowrie en John G. Conran in 1998, in hun taxonomische herziening "A taxonomic revision of the genus Byblis (Byblidaceae) in northern Australia", gepubliceerd in Nuytsia 12(1): 59–74. Het typegebied ligt in het Northern Territory, in het gebied tussen Darwin en Berry Springs, waar de soort groeit in seizoensgebonden overstroomde laagtes en aan de ondiepe randen van zoetwatermeren; ook op Bathurst Island is de soort gevonden. De soortnaam aquatica (Latijn voor "in het water levend") verwijst naar de halfwaterige groeiplaatsen van de plant en naar het feit dat de zaden pas kiemen na onderdompeling in water.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.