Alle soorten › Klaverzuringachtigen › Cephalotaceae › Cephalotus follicularis
Cephalotus follicularis | Australische bekerplant
Albany pitcher plant | Jarrito enano
Een plant die in zijn eentje een familie vult, en in deze gids ook de enige van zijn orde is: de bekerval van Cephalotus is los van alle andere ontstaan, ver van de Amerikaanse trompetbekerplanten en de Aziatische bekerplanten. Hij groeit in een smalle strook langs de zuidkust van West-Australië, laag bij de grond, en draagt twee volstrekt verschillende bladeren tegelijk in één rozet.




Herkenning
Een lage rozet waarin twee bladvormen door elkaar staan. De gewone bladeren zijn plat, leerachtig en elliptisch en vangen niets. Daartussen liggen de bekers: gedrongen, eivormig, met de opening schuin omhoog, en aan de buitenkant met drie in de lengte lopende ribben die dicht met haren zijn bezet. De rand van de opening is een dikke geribde kraag waarvan de ribben aan de binnenzijde in scherpe punten eindigen. Daarboven staat een deksel dat de beker afdekt en doorschijnende vensters draagt, als lichtgaten in een dak. In de volle zon lopen beker en deksel dieprood tot wijnkleurig aan; in de schaduw blijft alles groen. De plant zelf blijft laag — niet meer dan 20 cm — maar in de zomer komt er een kale bloemstengel tot 60 cm boven uit met een tros zeer kleine, witte tot crèmekleurige bloemen.
Gelijkende soorten
In het veld is verwarring uitgesloten: er staat in Australië geen tweede plant met een beker. De bekerplanten van Zuidoost-Azië (Nepenthes) hangen aan een rank en horen in een heel andere familie; de Amerikaanse trompetbekerplanten zijn rechtopstaande buizen. Wie de plant buiten het bekerseizoen tegenkomt ziet alleen een rozet van gladde, platte bladeren en kan die voor van alles aanzien — zoek dan tussen het strooisel naar oude, verweerde bekers, want die blijven lang liggen. In dezelfde moerasjes staan zonnedauwen: die hebben klierharen met een druppel op een plat blad en geen holle beker.
De val en hoe hij werkt
De beker is een blad dat tot een kruikje is dichtgevouwen en tussen het mos op de grond ligt, met de opening op de looproute van mieren. De drie behaarde ribben lopen als ladders naar de rand toe, en nectar langs de rand en op het deksel doet de rest. De kraag rondom de opening is glad en de ribben eindigen naar binnen gericht in scherpe punten: een insect komt er wel over, maar niet terug. Onderin staat vloeistof met verteringssap, tegen een gladde, wasachtige wand. Het deksel houdt de regen buiten en draagt doorschijnende vensters — een insect dat naar het licht vliegt, botst tegen het dak en valt naar beneden. Er beweegt niets: deze val moet het van zijn bouw hebben, niet van snelheid. De vangst bestaat dan ook vooral uit mieren en ander loopgoed.
Standplaats en ecologie
Natte, veenachtige zandgrond: moerasjes, kwelplekken en de oevers van beken en kreken in het zuidwesten van West-Australië, vaak in de halfschaduw van struikgewas maar even goed in de volle zon tussen zeggen. De grond is zuur, arm en het hele jaar vochtig; in de mediterrane zomer van de zuidkust houdt kwelwater de plek nat terwijl de omgeving uitdroogt. Brand hoort bij dit landschap en de plant verdraagt hem: uit de wortelstok loopt hij daarna opnieuw uit.
Verspreiding en hoogte
Alleen het zuidwesten van West-Australië, in een smalle strook langs de zuidkust. De gevolgde bron noemt de districten Warren, het zuiden van het Jarrah Forest en de Esperance Plains; daarbuiten is de soort nergens inheems. Het is een van de kleinste verspreidingsgebieden van deze gids, en tegelijk het enige gebied van een hele familie: de Cephalotaceae bestaan uit deze ene soort. Over de hoogteligging zegt de bron niets; overal gaat het om laagland dicht bij de kust.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
In het wild is de variatie beperkt tot de kleur en het formaat van de bekers: planten in de volle zon zijn gedrongen en dieprood, planten in de schaduw groter en groen, en dat verschilt binnen één moerasje al van plek tot plek. Erkende variëteiten of ondersoorten zijn er niet, en natuurlijke hybriden kunnen niet bestaan — er is geen tweede soort om mee te kruisen. Wat in verzamelingen onder namen tussen aanhalingstekens rondgaat, is in kweek geselecteerd en hoort niet in deze gids.
Waar en wanneer te zien
December tot april, de Australische zomer: dan bloeit hij en zijn de bekers volgroeid en het diepst gekleurd. Zoek laag bij de grond, want de bekers liggen tussen mos, zeggen en strooisel en zijn staand nauwelijks te zien; de bloemstengel verraadt de plant eerder dan de beker zelf. De natte kwelranden langs beken in de zuidkustreservaten tussen Walpole, Denmark en Albany zijn het bekendste zoekgebied. Kiep geen bekers leeg om te zien wat erin zit: dat vocht is het maagsap van de plant.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar op de Rode Lijst; het herbarium van West-Australië rekent hem niet tot de bedreigde flora van de staat, en in de CITES-bijlagen staat hij niet. Zijn gebied is klein en zijn standplaatsen zijn kwetsbaar: ontwatering, wegwerkzaamheden, betreding van de kwelranden en het uitgraven van planten voor verzamelaars zijn de bedreigingen, met daarnaast verandering van het brandregime. Omdat de soort uit weefselkweek in grote aantallen wordt vermeerderd, hoeft voor de handel geen wilde plant meer te worden gestoken.
Wetenschappelijke naam
Cephalotus follicularis | Labillardière, 1806
Jacques Labillardière beschreef de soort in 1806 in Novae Hollandiae Plantarum Specimen, op basis van materiaal dat Jean Baptiste Leschenault de la Tour had verzameld. De typelocatie ligt in het zuidwesten van West-Australië, in de kuststrook tussen Augusta en Cape Riche waar de soort van nature voorkomt. De geslachtsnaam Cephalotus komt van het Griekse kephalé ('hoofd') en ous/ōtos ('oor') en verwijst naar de vorm van de helmknoppen. De soortnaam follicularis is Latijn voor 'zakvormig', naar de beker- of buidelvormige vangbladeren.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.