Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera rotundifolia
Drosera rotundifolia | Ronde zonnedauw
Round-leaved sundew
De zonnedauw van het Nederlandse hoogveen, en meteen de maat waarmee je alle andere afmeet. Hij is zelden groter dan een bierviltje en valt tussen het veenmos volstrekt weg — tot de zon laag staat en het mos ineens vol rode sterretjes met glinsterende druppels blijkt te zitten. Van alle planten in deze gids heeft hij verreweg het grootste areaal: hij loopt bijna rond de hele noordelijke gematigde zone.




Natuurlijke hybriden

Herkenning
Een platte rozet van bladeren die vlak op het mos liggen. De bladschijf is 4 tot 10 mm lang en 4,5 tot 18 mm breed — dus even breed als lang of breder, en dat is het kenmerk waar alles om draait — en gaat abrupt over in een meestal behaarde bladsteel van 1 tot 3,5 cm. Op de bovenzijde van de schijf staan tentakels van 4 tot 5 mm, elk met een heldere kleefdruppel; naar de rand toe worden ze langer, en in volle zon kleuren ze dieprood. Uit het midden van de rozet komen één tot drie kale bloeistengels van 7 tot 25 cm, veel langer dan de bladeren, met 6 tot 10 bloemen aan één kant van een top die zich langzaam afrolt. De kroonbladen zijn wit en 4,5 tot 5 mm lang; de bloemen gaan maar een paar uur op een zonnige ochtend open en bestuiven zichzelf. In de winter trekt de plant zich terug in een knop van strak opgerolde blaadjes op het maaiveld.
Gelijkende soorten
In Europa staan er nog twee zonnedauwen op hetzelfde veen, en ze scheiden zich op de vorm van de bladschijf. Bij Drosera anglica is de schijf drie tot zes keer langer dan breed en staat het blad schuin omhoog; bij D. intermedia is hij twee tot drie keer langer dan breed en komt de bloeistengel zijdelings uit de rozet, waarna hij eerst omlaag buigt. Alleen bij deze soort is de schijf even breed als lang of breder, en liggen de bladeren plat. Waar twee soorten door elkaar staan komen de kruisingen D. × obovata en D. × belezeana voor; die houden in bladvorm het midden en zijn steriel. In het zuidoosten van de Verenigde Staten reikt zijn areaal tot in de staten van de venusvliegenval (Dionaea muscipula): die heeft een blad met een scharnier, een zonnedauw heeft klierharen met een druppel en geen scharnier.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. Elke tentakel draagt op een steeltje een druppel taai slijm die eruitziet als dauw en niet opdroogt; kleine tweevleugeligen die boven het veen zweven zakken erop neer en komen niet meer los. De prikkel van een spartelend insect zet eerst de geraakte tentakel in beweging en daarna de buren: ze buigen in enkele minuten tot enkele uren naar het midden van het blad en leggen de prooi op de korte klieren daar, die het verteringssap afscheiden. Bij een grote vangst krult de bladschijf zelf ook wat om, maar veel verder dan een ondiepe kom komt hij niet — daarin verschilt hij van D. capensis, waar het hele blad meer dan een halve slag om de prooi heen rolt. Verteren duurt dagen; daarna strekken de tentakels zich weer en blijft een leeg chitinehulsje achter dat de eerste wind meeneemt. Op veen is stikstof de beperkende factor, en de vangst levert de plant het grootste deel daarvan.
Standplaats en ecologie
Levend hoogveen: de plant wortelt in het veenmos zelf en groeit ieder jaar met het mos mee omhoog. Verder natte heide, venoevers, trilveen en oude, weer vernatte turfputten. Steeds op zure, permanent natte en uiterst voedselarme grond in de volle zon; zodra pijpenstrootje of berk hem overgroeit verdwijnt hij. Hij deelt die grond met veenbes, lavendelheide en witte snavelbies, en op de Europese venen met Pinguicula vulgaris. Van zeeniveau tot in de subalpiene zone.
Verspreiding en hoogte
Bijna rond de hele noordelijke gematigde zone: de verspreidingsgegevens noemen ruim honderd regio's. In Europa van IJsland, Spitsbergen en Scandinavië tot in de bergen van Spanje, Portugal, Italië, Griekenland en Turkije, met een uitloper naar het Nabije Oosten; door de Kaukasus en heel Siberië tot Kamtsjatka, Sachalin, de Koerilen, Japan en Korea, en met verre buitenposten in de bergen van Nieuw-Guinea en de Filipijnen. In Noord-Amerika van Alaska, Groenland en Newfoundland zuidwaarts tot Californië, Oregon, de Appalachen en de kustvlakte van de Carolina's. Buiten dat natuurlijke gebied is hij in het zuiden van Zuid-Amerika ingeburgerd.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Weinig te melden, en dat is bij zo'n areaal opmerkelijk. Er worden geen variëteiten erkend. Wat varieert is de kleur — van vrijwel geheel groen in de schaduw tot dieprood in de volle zon — en de lengte van de bladsteel, die in dieper veenmos gewoon meegroeit; beide verschillen al van plant tot plant binnen één slenk. De echte variatie zit in de kruisingen met de twee andere Europese soorten, D. × obovata en D. × belezeana. Ze zijn steriel, houden in bladvorm het midden tussen de ouders en staan altijd tussen die ouders in.
Waar en wanneer te zien
Juni tot augustus, op een zonnige ochtend: dan glinsteren de druppels en zie je rozetten liggen waar je een uur eerder overheen zou hebben gekeken. Zoek in het Nederlandse en Belgische hoogveen — Bargerveen, Fochteloërveen, Dwingelderveld, de Hoge Venen — langs de randen van natte veenmosslenken en langs oude turfputten; daar staat hij vaak met honderden bij elkaar. Ga op je knieën zitten en kijk tegen de zon in; van bovenaf, met de zon in de rug, is hij vrijwel onzichtbaar. Blijf op het pad of de vlonder: veenmos herstelt jaren niet van één voetstap, en de plant zit erin.
Staat van instandhouding
Niet in gevaar op de wereldlijst, en dat klopt: het areaal is enorm en in Fennoscandinavië en Siberië is hij gewoon. In West-Europa ligt het anders. Met het hoogveen is ook de plant verdwenen; in Nederland en België houdt hij stand in de restanten die weer nat zijn gemaakt. Ontwatering en ontginning zijn de directe oorzaak, stikstofdepositie de indirecte, doordat pijpenstrootje het veenmos overgroeit en de rozetten wegdrukt. Zwitserland zet hem nationaal op potentieel bedreigd en verschillende kantons beschermen hem volledig; ook elders staat hij op regionale rode lijsten. Verzamelen speelt bij deze soort geen rol van betekenis — het is het veen dat schaars is, niet de plant.
Wetenschappelijke naam
Drosera rotundifolia | Linnaeus, 1753
Linnaeus beschreef de soort in 1753 in Species Plantarum. Geen precieze typelocatie opgegeven; de soort komt van nature voor in veengebieden over grote delen van Europa, Azië en Noord-Amerika. De geslachtsnaam Drosera komt van het Griekse droseros ('bedauwd') en verwijst naar de glinsterende kleefdruppels op de klierharen. De soortnaam rotundifolia is Latijn voor 'rondbladig', naar de vorm van de bladschijf.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.