Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera capensis
Drosera capensis | Kaapse zonnedauw
Cape sundew
De zonnedauw met het lange, riemvormige blad, in het wild een plant van de natte plekken in de fynbos van de Westkaap. Hij is bijna overal ter wereld in kweek en juist daardoor op verschillende plaatsen buiten Afrika in het vrije veld beland, waar hij het opvallend goed doet. Wie hem in Zuid-Afrika zoekt, moet naar de plekken waar het water het hele jaar door de bodem sijpelt.




Herkenning
Een rozet die uitgaat van een korte, houtige stam met een kruipende wortelstok; met de jaren richt die stam zich op en draagt hij de rozet als een klein palmpje boven de oude, afgestorven bladeren. De plant is meestal ongeveer 15 cm hoog. De bladeren staan straalsgewijs; bladsteel en bladschijf zijn ongeveer even lang, en de schijf is smal en riemvormig, veel langer dan breed. Langs de rand van de schijf staat een dichte franje van gesteelde klierharen met een druppel; in het midden staan er minder en kortere. De onderzijde is kaal en glad. Uit de rozet komt één bloeistengel met 15 tot 30 eenvoudige, roze tot mauve bloemen die na elkaar opengaan; de bloeitijd valt in de zuidelijke hoogzomer, december en januari. De zaden zijn zeer klein en zwart.
Gelijkende soorten
In de fynbos staan meer zonnedauwen met een rozet, maar die hebben een spatelvormig of wigvormig blad dat hooguit een paar keer langer is dan breed — Drosera aliciae en D. cuneifolia bijvoorbeeld. Het lange riemvormige blad op een even lange steel is hier het kenmerk. D. regia uit hetzelfde gebied is te herkennen doordat hij veel groter is en geen duidelijke bladsteel heeft: daar loopt het blad van de basis af aan één stuk door. D. binata heeft een gevorkt blad en groeit in een heel ander werelddeel. Vergelijk hem ook met de venusvliegenval (Dionaea muscipula) uit dezelfde familie: die sluit met een scharnier in een tiende seconde, terwijl dit blad zich in uren om de prooi heen rolt.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, en van de vijf zonnedauwen in deze gids degene die het verst gaat. De klierharen kennen het verschil tussen een prooi en een regendruppel: op water reageert de plant niet. Zit een insect eenmaal vast, dan buigen de omringende tentakels er langzaam overheen. Daarna komt het blad zelf in beweging: de smalle schijf kan meer dan een halve slag doorbuigen en rolt zich om de prooi heen, zodat die van alle kanten tegen klieren aan ligt. Hoe snel dat gaat hangt ervan af waar op het blad de prooi terechtkwam — aan de punt gaat het sneller dan aan de basis. Na de vertering strekt het blad zich weer, vaak met de lege huls er nog aan. Van de soorten hiernaast doet D. rotundifolia hetzelfde maar veel bescheidener, en beweegt D. glanduligera juist honderd keer sneller met een heel ander mechanisme.
Standplaats en ecologie
Permanent natte plekken in de fynbos: kwelzones die het hele jaar door water afgeven, moerassige laagten, de oevers van beken en vochtige plekken tussen het struweel. De bodem is zuur en schraal, meestal zand dat van zandsteen afkomstig is, en blijft ook in de droge Kaapse zomer nat. Volle zon. Zoals bijna alles in de fynbos hangt de plek af van brand: na een brand ligt de kwelzone open en staan de rozetten in het volle licht, daarna groeit het struweel weer dicht.
Verspreiding en hoogte
Van nature alleen in de Kaapprovincies van Zuid-Afrika, met het zwaartepunt in de zuidwestelijke Kaap. Daarbuiten is hij op verschillende plaatsen verwilderd en handhaaft hij zich zelfstandig: in Californië en in New South Wales in Australië, en op nog enkele plekken. Die vestigingen zijn niet ontstaan door natuurlijke verspreiding maar doordat kwekers en liefhebbers hem hebben uitgezet of laten ontsnappen; op sommige daarvan vormt hij dichte, aaneengesloten matten waarin voor de eigen moerasplanten van het gebied weinig ruimte overblijft.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
In het wild zijn twee vormen bekend naast de gewone: een witbloemige, waarbij de kroonbladen het roze missen, en een breedbladige, waarbij de schijf duidelijk breder is dan de gewone riem. Beide komen in de eigen streek voor tussen normale planten en zijn geen kweekproduct. Verder varieert vooral de mate van roodkleuring, en die hangt sterk af van hoeveel zon de plant krijgt. De vele namen die in de handel rondgaan voor rode, dwergachtige of extra brede planten zijn cultivars en horen niet in deze gids.
Waar en wanneer te zien
December en januari, als de bloeistengels boven het struweel uitkomen en een rij roze bloemen open heeft staan; op zo'n stengel zie je de plant van veraf, terwijl de rozet zelf tussen de restio's wegvalt. Loop langs plekken waar het water het hele jaar door zichtbaar sijpelt — het spoor van blijvend nat zand of donker veen dwars door droge fynbos — en kijk daar naar beneden. Een terrein dat een paar jaar geleden gebrand heeft, geeft de beste kans, omdat het struweel er nog laag staat. Waar hij is verwilderd, geldt precies het omgekeerde: neem er niets van mee en laat geen zaad meeliften aan je schoenen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet geëvalueerd: de Rode Lijst heeft de soort nooit tegen het licht gehouden, dus er is geen categorie. Wat er wél over bekend is, wijst dezelfde kant op: in Zuid-Afrika geldt hij als niet bedreigd, hij komt over een groot deel van de Kaap voor en veel van zijn standplaatsen liggen in beschermd gebied. Het probleem zit bij deze soort aan de andere kant. Buiten Zuid-Afrika is hij ingeburgerd geraakt en vormt hij plaatselijk dichte matten die inheemse moerasplanten verdringen; in die gebieden wordt hij als lastige exoot behandeld en soms actief bestreden. Verzamelen in het wild speelt geen rol: er is nauwelijks een plant die makkelijker uit zaad te krijgen is.
Wetenschappelijke naam
Drosera capensis | Linnaeus, 1753
Linnaeus beschreef de soort in 1753 in Species Plantarum, met als herkomstaanduiding het te ruime 'Aethiopia' — de gangbare, wat losse Linnaeaanse aanduiding voor sub-Sahara-Afrika. De typelocatie ligt in de Kaapprovincie van Zuid-Afrika, waar de soort ook nu nog het meest algemeen is. De soortnaam capensis betekent 'van de Kaap', naar de Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.