Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera regia
Drosera regia | Koningszonnedauw
King sundew
De grootste zonnedauw ter wereld, en tegelijk een van de zeldzaamste. Zijn bladeren worden tot zeventig centimeter lang: geen rozet die je over het hoofd ziet, maar een bos riemen die vanaf een houtige wortelstok naar buiten waaieren. Hij komt uit één klein bergstuk in de Westkaap en nergens anders. In de stamboom van het geslacht staat hij helemaal apart, als tak naast alle andere zonnedauwen samen.



Herkenning
Een fors kruid met een horizontale, houtige wortelstok waaruit een kroon van lange, lijnvormige bladeren omhoog en naar buiten staat. Een blad wordt tot 70 cm lang en ongeveer 2 cm breed en loopt uit in een draadvormige punt; er is geen aparte bladsteel en er zijn geen steunblaadjes — het blad loopt van de basis af aan één stuk door en draagt over vrijwel de hele bovenzijde gesteelde klierharen met een druppel. Oudere bladeren zakken door en krullen aan de punt om. De bloeistengel wordt tot 40 cm en draagt 5 tot 20, soms 30 geurloze roze bloemen met kroonbladen van 2 tot 3 cm — voor een zonnedauw uitzonderlijk groot. De bloeitijd valt in januari en februari, midden in de zuidelijke zomer.
Gelijkende soorten
Verwarring is bij een volgroeide plant vrijwel uitgesloten: geen andere zonnedauw heeft bladeren van deze lengte. Een jonge plant kan op Drosera capensis lijken, die in hetzelfde deel van de Kaap staat, maar bij D. capensis is er een duidelijke bladsteel van ongeveer dezelfde lengte als de schijf, en die ontbreekt hier volledig. D. binata, de enige andere zonnedauw in deze gids met een langgerekt blad, heeft dat blad gevorkt. Wie alleen aan de bloem afgaat, kijkt naar de maat: kroonbladen van 2 tot 3 cm heeft geen enkele andere zonnedauw.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op groot formaat. Over de hele bovenzijde van het lange blad staan tentakels met een taaie druppel, en een insect dat erop landt zakt erin weg. De geraakte tentakels buigen naar het blad toe en trekken de prooi naar de bladbasis; bij een grote vangst krult ook de bladpunt zich om, zodat het blad zich als een lange band om de prooi legt. Dat gaat langzamer en minder volledig dan bij D. capensis, waar het smalle blad zich echt oprolt, maar het bereik is veel groter: doordat de bladeren hoog boven de grond uitsteken vangt deze soort ook vliegend gedierte dat een rozetzonnedauw op de bodem nooit tegenkomt. Verteren duurt dagen, waarna het blad zich weer strekt. Anders dan bij de meeste soortgenoten rolt de bloeistengel zich bij het uitgroeien niet als een varenkrul af.
Standplaats en ecologie
Vochtige, moerassige plekken hoog in de bergen, in fynbos op zandsteen. De grond is zuur, venig-zandig en wordt door kwel het hele jaar nat gehouden; de plant staat in de volle zon tussen restio's en laag struweel. Zoals overal in de fynbos is brand deel van het systeem: na een vuur staat de plek open en loopt de wortelstok weer uit. Hij groeit tussen ongeveer 500 en 900 m.
Verspreiding en hoogte
Alleen in de Kaapprovincies van Zuid-Afrika, en daarbinnen beperkt tot een klein bergmassief in de Westkaap. De nationale beoordeling van 2011 schat het totale gebied waarbinnen de soort voorkomt op ongeveer 60 vierkante kilometer — kleiner dan een middelgrote Nederlandse gemeente. Er is geen tweede vindplaats elders in het land en er is geen enkele populatie buiten Zuid-Afrika die uit eigen kracht standhoudt. Verder dan 'de Kaapprovincies' gaat deze gids bewust niet.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of kleurvormen erkend en er zijn geen natuurlijke kruisingen bekend — bij een soort die alleen op een handvol hectaren staat, valt er ook weinig te variëren. De plant staat bovendien taxonomisch alleen: hij vormt binnen het geslacht een eigen tak die naast alle andere zonnedauwen staat, wat verklaart waarom hij in vrijwel elk kenmerk buiten de gebruikelijke bandbreedte valt. De verschillen die je in het veld ziet, zijn verschillen in leeftijd en standplaats, niet in vorm.
Waar en wanneer te zien
Deze gids geeft geen vindplaats en geen coördinaten, en dat is een bewuste keuze: het hele areaal past in een gebied van enkele tientallen vierkante kilometers, en de nationale beoordeling noemt het weghalen van planten op de bekende plekken met zoveel woorden als het risico dat de soort loopt. Wie hem wil zien, doet dat via het beheer van het reservaat waarin hij ligt en met een gids die het terrein kent; het is ruw bergland en de standplaatsen liggen in natte, steile hellingen. Herken hem van afstand aan de lange riemen die boven het lage struweel uitsteken. Graaf niets uit en neem geen stek mee — planten uit zaad zijn overal legaal te krijgen, wilde planten zijn onvervangbaar.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet geëvalueerd: de Rode Lijst heeft de soort nooit tegen het licht gehouden, dus er is geen internationale categorie, en dat is bij een plant met zo'n klein areaal een gat. Nationaal is hij wel bekeken. De Rode Lijst van Zuid-Afrikaanse planten plaatste hem in 2011 in de categorie 'zeldzaam': een sterk plaatsgebonden specialist met een gebied van ongeveer 60 vierkante kilometer, waarvan het leefgebied goed beschermd is en dat om die reden niet als bedreigd werd aangemerkt. In de oudere literatuur wordt hij van maar twee groeiplaatsen genoemd, waarvan er één een jaar of vijftien geleden op zo'n vijftig volwassen planten werd geschat; de beoordelaars gaan ervan uit dat er meer planten staan op plekken die in dit bergland eenvoudigweg niet te bereiken zijn. Als bedreiging wordt uitsluitend het verzamelen op de bekende plekken genoemd.
Wetenschappelijke naam
Drosera regia | Stephens, 1926
Drosera regia werd in 1926 beschreven door de Zuid-Afrikaanse botanica Edith Layard Stephens, gepubliceerd in Transactions of the Royal Society of South Africa, deel 13(4): 309–312. Het typemateriaal is afkomstig uit een enkele vallei bij de Bainskloofpas in de provincie West-Kaap, Zuid-Afrika, ongeveer 120 km ten noorden van Kaapstad, op zand- en veenbodems in laag grasland (op hoogtes van circa 500–900 m). Stephens werd op de vindplaats gewezen door ene J. Rennie, die de planten met Pasen 1923 langs een beek had aangetroffen; later werd ook een tweede, ca. 6,5 km verderop gelegen populatie bij de Slanghoekpiek ontdekt (1926). Het epitheton regia is Latijn voor "koninklijk" en verwijst, volgens Stephens zelf, naar het opvallende, statige voorkomen van de plant — vandaar ook de bijnaam "King Sundew". Een rol voor de botanicus Ted Oliver, die soms in verband met deze soort wordt genoemd, kon in de geraadpleegde bronnen niet worden bevestigd als betrokken bij de oorspronkelijke beschrijving of ontdekking.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.