Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera binata

Drosera binata

Forked sundew

De enige zonnedauw met een gevorkt blad, en dat is meteen de hele herkenning. Waar alle andere soorten in deze gids een ronde, spatelvormige of riemvormige schijf hebben, splitst het blad zich hier in tweeën als een stemvork — en bij veel planten splitsen die twee zich nog eens. Hij groeit in Australië, Nieuw-Zeeland en op de Chathameilanden, en is daarmee de enige soort van dit vijftal die twee landen deelt.

Drosera binata
Foto: Jörg Hempel — CC BY-SA 3.0 de · Wikimedia Commons
Drosera binata — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Harry Rose — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera binata — de bloem
De bloem · Foto: Harry Rose — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera binata — de standplaats
De standplaats · Foto: Harry Rose — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kruid met vezelige wortels dat zich vanuit worteluitlopers tot polletjes uitbreidt; West-Australische planten worden tot 0,15 m hoog, elders in het areaal wordt de plant fors groter. Elk blad bestaat uit een lange, dunne, kale bladsteel met daarop een smalle schijf die zich meteen boven de steel in tweeën deelt. De twee armen kunnen zich opnieuw delen, zodat er vier of meer punten ontstaan; bij sommige planten gaat dat door tot een hele waaier. Beide zijden van de vork dragen over de hele lengte gesteelde klierharen met een druppel, aan de rand langer dan in het midden, en kleuren in de zon rood. De bladeren staan rechtop of leunen naar buiten, niet plat op de grond zoals bij de meeste zonnedauwen. De bloemen zijn wit.

Gelijkende soorten

Met een uitgegroeid blad is dit de makkelijkste zonnedauw ter wereld: geen andere soort in het geslacht heeft een gevorkt blad. Het probleem zit bij jonge planten, waarvan de eerste bladeren nog ongedeeld zijn; die lijken op een gewone smalbladige zonnedauw. Kijk dan naar de bladsteel, die hier lang en dun is en het blad boven de vegetatie uit tilt, waar rozetsoorten als Drosera rotundifolia hun bladeren plat op de bodem houden. D. capensis heeft eveneens een langgerekt blad, maar dat is nooit gedeeld en de plant hoort in een ander werelddeel thuis. Ook de bloem helpt: wit, en op een stengel die zich boven de bladvorken uitstrekt.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, met de nadruk op hoogte. Doordat de bladeren op lange stelen rechtop staan, hangt het kleefoppervlak vrij in de lucht en vangt deze soort vooral vliegend gedierte, waar een rozetzonnedauw op de bodem het van kruipers moet hebben. Blijft een insect aan de klierharen kleven, dan buigen eerst de geraakte en daarna de omringende tentakels er in enkele minuten tot uren overheen; de smalle bladarm zelf kan zich in de lengte iets krommen, maar rolt niet om de prooi heen zoals bij D. capensis — daar is hij te smal voor. Het gevorkte blad heeft daarmee twee vangvlakken die onafhankelijk van elkaar werken. Verteren duurt dagen, waarna de tentakels zich weer strekken.

Standplaats en ecologie

Natte plekken die in de winter onder water staan en in de zomer opdrogen: veenmoerassen op zwart veen, natte heide, moerasranden en oevers. In Nieuw-Zeeland staat hij bovendien op natte, uitgespoelde taluds en langs sijpelplekken, en is hij tot ongeveer duizend meter gewoon. Steeds op zure, voedselarme, open grond in het volle licht; onder gesloten struweel verdwijnt hij. De worteluitlopers maken dat een plant zich ter plekke uitbreidt en er vaak een groep bij elkaar staat.

Verspreiding en hoogte

Zuidoostelijk Australië, van Queensland zuidwaarts door New South Wales en Victoria tot Tasmanië en het zuidoosten van Zuid-Australië, met een losstaand voorkomen in de uiterste zuidwesthoek van West-Australië. Daarnaast Nieuw-Zeeland, op zowel het Noordereiland als het Zuidereiland, en de Chathameilanden ver in de Stille Oceaan. Die verspreiding over twee landen maakt hem tot de enige van de vijf zonnedauwen in deze gids die niet aan één land gebonden is.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 213 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten erkend; de gids volgt daarin de aanvaarde naamgeving. Wat in het wild wél sterk varieert, is hoe vaak het blad zich splitst: van planten met één enkele vork tot planten waarbij elke arm zich nog twee of drie keer deelt en het blad in een waaier van punten eindigt. Dat verschil hangt deels samen met de streek en deels met de leeftijd en de groeikracht van de plant, en je vindt binnen één populatie al een reeks. De vormnamen die in de handel rondgaan voor sterk vertakte planten zijn kweekselecties en horen hier niet.

Waar en wanneer te zien

Kijk omhoog in plaats van omlaag. Anders dan de meeste zonnedauwen houdt deze soort zijn bladeren op steelhoogte tussen de zeggen en biezen, en het silhouet van een gevorkt blad tegen het licht is van een paar meter afstand al te zien; de druppels doen de rest. Zoek langs de randen van winternatte laagten en op natte taluds. In West-Australië is hij zeldzaam en staat hij op de lijst van soorten waarover te weinig bekend is — laat de planten daar met rust en meld een vondst liever bij het herbarium dan dat je hem meeneemt.

Staat van instandhouding

Niet in gevaar op de wereldlijst. Over het grootste deel van zijn areaal is hij gewoon: in Nieuw-Zeeland en in het zuidoosten van Australië is hij op geschikte grond eerder algemeen dan zeldzaam. Aan de westrand is het beeld anders. De West-Australische populaties liggen ver van de rest, beslaan maar een handvol plekken in het uiterste zuidwesten, en het herbarium daar houdt de soort als 'prioriteit twee' aangemerkt: slecht bekend, van weinig groeiplaatsen, en daarmee kwetsbaar zolang niemand weet hoeveel er precies staan. De bedreigingen zijn overal dezelfde — ontwatering van winternatte laagten, ontginning en het dichtgroeien van open terrein.

Wetenschappelijke naam

Drosera binata | Labillardière, 1804

Beschreven door Jacques Labillardière in 1805 (soms 1804 geciteerd), in "Novae Hollandiae Plantarum Specimen", deel 1, p. 78, tafel 105. Breed vermeld als "Australië; Nieuw-Zeeland", zonder preciezere vindplaats. Het materiaal werd voor het eerst in 1792 verzameld tijdens de expeditie van Bruni d'Entrecasteaux naar de zuidkust van Australië. Van het Latijnse binatus ("gepaard, in tweeën") — verwijst naar de bladeren, die vorkvormig (soms tweemaal) in tweeën splitsen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.