Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Darlingtonia californica

Darlingtonia californica | Cobralelie

Cobra lily | Lirio cobra

Van alle vleesetende planten is dit de best gebouwde valstrik. De beker draait zich onder het groeien een halve slag om, kromt zich boven aan tot een bolle kap met doorschijnende vensters, verbergt zijn ingang aan de onderkant en hangt daaronder een gespleten tong met nectar. Wie het veld in gaat om hem te zien, vindt hem zelden alleen: hij staat in dichte kolonies in koud, stromend kwelwater, meestal op serpentijn.

Darlingtonia californica (Cobralelie)
Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Darlingtonia californica — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: BLM Oregon & Washington — Public domain · Wikimedia Commons
Darlingtonia californica — de bloem
De bloem · Foto: Ian Poellet — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Darlingtonia californica — de standplaats
De standplaats · Foto: Ian Poellet — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Bijna rechtopstaande bladeren van 10 tot 60, uitzonderlijk 100 cm, geelgroen tot dieprood, naar boven toe verbredend; onderaan verbindt een netwerk van uitlopers van ongeveer een meter de planten tot dichte kolonies. Het bovenste deel van het blad is opgeblazen tot een bolle kap die zich over de buis heen buigt, zodat de opening niet naar boven maar naar onderen wijst. De kap is bezaaid met doorschijnende vensters. Onder de opening hangt een tweelobbig aanhangsel — de tong, ook wel vissenstaart genoemd — geel, groen of purper. De bloem staat knikkend aan een lange stengel: geelgroene, soms purper aangelopen kelkbladen van 4 tot 6 cm en smal eironde kroonbladen van 2 tot 4 cm, geelgroen tussen brede donkerpurperen nerven. De vrucht is 2,5 tot 4,5 cm lang.

Gelijkende soorten

Binnen zijn eigen gebied is er niets waarmee je hem kunt verwarren: hij is de enige vleesetende bekerplant van westelijk Noord-Amerika. Van de trompetbekerplanten van het oosten scheidt hem de gedraaide beker met de naar onderen gerichte opening; Sarracenia minor heeft ook doorschijnende vensters en een kap over de mond, maar mist de gespleten tong en groeit vierduizend kilometer verderop. Van Heliamphora scheidt hem de afwezigheid van een uitgietspleet: de tafelbergplanten laten hun regenwater door een spleet in de wand weglopen, terwijl Darlingtonia het regenwater eenvoudigweg buiten de deur houdt en zijn vocht zelf regelt.

De val en hoe hij werkt

Hier werken twee mechanismen samen, en daarom draagt de soort in deze gids twee vangcodes. Het begint met de tong: het gespleten aanhangsel onder de opening is dicht bezet met nectarklieren en vormt tegelijk het landingsplatform en het spoor dat naar binnen leidt. Een insect volgt de suiker omhoog en komt via de naar beneden gerichte mond in de bolle kap terecht. Daar begint het tweede deel. De kap is van binnen donker behalve op de tientallen doorschijnende vensters, en een insect dat wil ontsnappen vliegt naar het licht — dus telkens tegen een venster aan, niet naar het kleine gat in de schaduw waardoor het binnenkwam. Het stoot zich uitgeput naar beneden. Vanaf daar is de buis een fuik: eerst een gladde, wasachtige gordel, daaronder een dichte bekleding van naar achteren gerichte haren die alleen naar beneden meegeven. Anders dan bij Sarracenia vangt de beker geen regen — de opening wijst omlaag — en houdt de plant het vochtpeil zelf op niveau door water uit de wortels in de buis af te scheiden. Lang gold hij als een plant die de vertering geheel aan bacteriën en aan de larven die in het vocht wonen overlaat; recent onderzoek toonde aan dat hij ten minste één eiwitsplitsend enzym zelf afscheidt. Over de tong is de literatuur nuchterder dan de vorm doet vermoeden: in een veldproef veranderde het wegnemen ervan de hoeveelheid gevangen prooi niet meetbaar.

Standplaats en ecologie

Kwelplekken en drassige grond met permanent stromend, koud water: bronbeekjes, hellingveentjes en de randen van beken. De wortels moeten koel blijven en het water moet blijven lopen; stilstaand of opwarmend water verdraagt hij niet. Meestal staat hij op ultramafische bodem — serpentijn — waarvan de hoge gehaltes aan zware metalen en het lage gehalte aan voedingsstoffen de meeste andere planten weren. Dat is geen toeval: op zulke grond weegt de winst van insectenvangst het zwaarst. Het bereik loopt van kustveentjes op zestig meter tot bergweiden op tweeëntwintighonderd meter.

Verspreiding en hoogte

De Klamathbergen van noordwestelijk Californië en zuidwestelijk Oregon vormen de kern van het areaal, dat langs de kust van Oregon noordwaarts doorloopt. Losstaand daarvan liggen enkele populaties in de noordelijke Sierra Nevada. Buiten dat natuurlijke gebied is hij op verschillende plaatsen uitgezet en handhaaft hij zich: in Washington, in British Columbia en in het kustgebergte van Californië. Die vestigingen zijn het werk van mensen, geen natuurlijke uitbreiding.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 43 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er zijn geen erkende variëteiten of ondersoorten. De variatie die je in het veld ziet is groot maar niet taxonomisch: planten in volle zon lopen dieprood aan terwijl planten in de schaduw geelgroen blijven, en de grootte hangt sterk van de standplaats af. De populaties van de Sierra Nevada liggen ver los van de rest, maar zijn nooit als aparte eenheid beschreven. Kruisingen zijn onmogelijk: het geslacht telt maar één soort en staat te ver van zijn verwanten af.

Waar en wanneer te zien

April tot juni voor de bloem, maar de bekers staan er het hele jaar en zijn opvallender dan de bloem. Volg in de Klamathbergen een bergweg tot waar het water over de berm loopt; op serpentijn is de begroeiing laag en open, en een kolonie van honderden koppen valt van een afstand op. Neem laarzen mee — je staat tot je enkels in het kwelwater — en let op waar je loopt, want de kolonies zijn dichter dan ze lijken. Kijk van onderaf tegen de kap aan: dan zie je de vensters oplichten en begrijp je in één keer hoe de val werkt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op de Rode Lijst, en niet opgenomen in CITES. Dat is een oordeel over het geheel: de soort is over een groot gebied verspreid en op veel plaatsen talrijk. Per vindplaats ligt het anders, want de kwelveentjes zijn klein, hangen van een aanhoudende waterstroom af en verdwijnen zodra die stroom verandert. Mijnbouw en wegwerkzaamheden op serpentijn, wateronttrekking, het dichtgroeien van open kwelplekken en het uitgraven van planten zijn de bedreigingen die er zijn; verschillende serpentijnveentjes zijn daarom als reservaat aangewezen.

Wetenschappelijke naam

Darlingtonia californica | Torrey, 1854

John Torrey beschreef de soort in 1854 en richtte er tegelijk het geslacht Darlingtonia voor op, op basis van materiaal dat botanicus William D. Brackenridge in 1841 tijdens de Wilkes-expeditie had verzameld. De typelocatie ligt bij Mount Shasta in Noord-Californië. De geslachtsnaam Darlingtonia eert de Amerikaanse botanicus William Darlington (1782-1863), aan wie Torrey het geslacht opdroeg. De soortnaam californica verwijst naar de herkomst: Noord-Californië en het aangrenzende zuidwesten van Oregon.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.