Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Sarracenia purpurea
Sarracenia purpurea | Paarse trompetbekerplant
Purple pitcher plant
De bekerplant met de langste adem: van de Golf van Mexico tot Labrador en de toendra van de Northwest Territories, verder naar het noorden dan enige andere vleesetende plant van Amerika. En de enige soort uit dit boek die een Nederlandse wandelaar in het wild kan tegenkomen — al hoort hij hier niet thuis.




Variëteiten


Herkenning
Een rozet van liggende tot schuin opstijgende bekers van 5 tot 25 cm, dik en buikig, met over de hele lengte een brede vleugel. Het deksel staat rechtop áchter de mond en dekt hem niet af, zodat de beker regen opvangt en vrijwel altijd half vol water staat — daaraan is de soort al van een afstand te kennen. De binnenwand draagt naar beneden gerichte haren; de kleur loopt van groen met rode nerven tot vrijwel geheel wijnrood. Op een kale stengel van 22 tot 79 cm hangt één knikkende bloem van 5 tot 7 cm breed, dieprood tot purper, met kroonbladen van 33 tot 53 mm die over de parapluvormige stijlschijf naar beneden vallen.
Gelijkende soorten
Binnen het geslacht is hij de enige met liggende, waterhoudende bekers en een rechtopstaand deksel. Aan de Golfkust groeit zijn tweelingzuster Sarracenia rosea, in 1999 van hem afgesplitst: die heeft roze in plaats van diep purperrode bloemen, met brede, spatelvormige kroonbladen, en een korter, gedrongener beker met een breder, sterk golvend deksel. Deze gids volgt POWO en houdt de twee als aparte soorten uit elkaar. S. psittacina ligt ook op de grond, maar heeft een dichte, bolle kap met een klein ingangsgat en houdt geen water vast. Buiten Amerika, op de Europese venen waar hij is uitgezet, is verwarring uitgesloten: daar staat verder geen enkele bekerplant.
De val en hoe hij werkt
Een val zonder beweging en zonder haast. De beker vangt regenwater op en houdt dat vast; wat over de gladde, met nectar bezette rand loopt, glijdt naar binnen en komt niet meer langs de naar beneden gerichte haren omhoog. Bijzonder aan deze soort is dat de plant het verteren grotendeels uitbesteedt. In het bekerwater leeft een vaste gemeenschap die nergens anders voorkomt: de larven van de muskiet Wyeomyia smithii, die van de dansmug Metriocnemus knabi, mijten, raderdiertjes en bacteriën. De mugge- en muglarven verkleinen de prooi, de bacteriën maken er stikstof van, en de plant neemt op wat vrijkomt. Eigen verteringsenzymen scheidt hij vooral in jonge bekers af, en veel minder overvloedig dan zijn rechtopstaande verwanten. Het menu bestaat voor het grootste deel uit mieren en andere kruipende insecten die over het veenmos lopen.
Standplaats en ecologie
Hoogveen en trilveen met veenmos: de plant wortelt in levend sphagnum en groeit met het mos mee omhoog. Verder laagveen, natte heide, venoevers en, in het zuiden van het areaal, kwelmoeras en natte savanne met langbladige den. Steeds op zure, permanent natte en uiterst voedselarme grond, in de volle zon. In het noorden is de winter de begrenzing niet: de bekers overwinteren onder de sneeuw en gaan in het voorjaar gewoon door.
Verspreiding en hoogte
Verreweg het grootste areaal van het geslacht: van de Golfkust en de Atlantische kustvlakte noordwaarts door heel oostelijk Noord-Amerika, over de Canadese schildvenen tot Labrador, Newfoundland en de Northwest Territories en Nunavut, en westwaarts tot Alberta en British Columbia. Daarbuiten is hij ingeburgerd geraakt waar mensen hem hebben gezet: aan de Amerikaanse westkust in Californië en Washington, en in Europa in Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Tsjechië en Slowakije, Denemarken en Zweden. In Nederland staan op een paar hoogvenen kleine populaties — het Fochteloërveen is de bekendste plek — maar de Nederlandse verspreidingsatlas rekent hem daar nog tot de adventieven en verwilderden, en in de lijst die deze gids volgt komt Nederland niet voor.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Het noordelijke en het zuidelijke ras zijn in het veld te onderscheiden: var. purpurea heeft een kale bekerbuitenkant en groeit van de noordelijke staten tot in Canada, var. venosa is kortharig behaard en heeft een breder deksel en groeit in de zuidelijke kustvlakte; in de zuidelijke Appalachen staat daar var. montana tussenin. Daarnaast komt een anthocyaanvrije vorm voor (f. heterophylla): geheel geelgroene bekers en gele bloemen, zeldzaam maar wijd verspreid. De soort kruist in het veld met vrijwel elke verwant waarmee hij samen staat — S. × catesbaei met S. flava, S. × chelsonii met S. rubra, S. × swaniana met S. minor — en op menige vindplaats staan meer kruisingen dan zuivere planten. Een beker die half ligt en toch een halfgesloten kap draagt, is vrijwel zeker een hybride.
Waar en wanneer te zien
Voor wie in Europa woont is dit de enige soort uit deze gids die op loopafstand in het wild staat. Op verschillende venen in Groot-Brittannië en Ierland en in de Zwitserse Jura staan grote, al decennia bestaande populaties, uitgezet door liefhebbers; in Nederland gaat het om een handvol kleine groepen op hoogveen. Zoek in mei en juni, als de donkerrode bloemen boven het veenmos uitsteken — de bekers zelf liggen in het mos en zie je pas als je erbij knielt. Neem niets mee en zet niets uit: op een Europees hoogveen is deze plant een exoot die het veenmos en zijn eigen insectenwereld verdringt, en verschillende beheerders zijn bezig hem juist te verwijderen.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet geëvalueerd; een wereldwijde beoordeling ontbreekt dus. Dat is bij dit areaal ook niet verbazend: over het geheel genomen is hij algemeen en talrijk. Wel is hij in de zuidelijke kustvlakte hard achteruitgegaan met het verdwijnen van de natte savanne, en staat hij in verschillende noordoostelijke staten op een provinciale of statenlijst omdat het veen daar is afgegraven of ontwaterd. Als lid van het geslacht Sarracenia valt hij onder CITES bijlage II. In Europa is de rolverdeling omgekeerd: daar geldt hij als invasieve exoot van hoogvenen.
Wetenschappelijke naam
Sarracenia purpurea | Linnaeus, 1753
Linnaeus beschreef de soort in 1753 in Species Plantarum, voortbouwend op eerder werk van de Franse botanicus Joseph Pitton de Tournefort, die de plant eind 17e eeuw had beschreven aan de hand van levend materiaal dat de Canadese arts-botanicus Michel Sarrazin naar Parijs had gestuurd. Geen precieze typelocatie opgegeven; de soort komt van nature voor in het oosten van Noord-Amerika, van Canada tot aan de Golfkust. De geslachtsnaam Sarracenia eert Michel Sarrazin, die als eerste de plant onder de aandacht van Europese botanici bracht. De soortnaam purpurea is Latijn voor 'purper', naar de paarsrode kleur van bekers en bloemen.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.
Natuurlijke hybriden van dit geslacht
Deze tien soorten kunnen onderling kruisen. Bekijk de negentien met naam beschreven natuurlijke hybriden van Sarracenia, met foto's waar beschikbaar.